De Maastrichtse Modus

Casusanalyse Trichterhoeve & extrapolatie beschermd gezicht

"Cultuurhistorisch kwaliteitsbeheer moet net zo ingeburgerd raken en net zo vanzelfsprekend zijn als milieubeheer, natuurbescherming en welstandtoezicht"(1).

Deze uitspraak uit de Nota monumentenbeleid van de gemeente Maastricht uit 1997 kan als motto gelden voor de opzet van het onderhavige onderzoek: een regime ontwikkelen, waarbinnen de cultuurhistorie haar vanzelfsprekende plaats binnen de gemeentelijke regelgeving inneemt. Maastricht heeft daar grote behoefte aan. 

Stand van zaken

Hoewel de voormelde nota een frisse opmaat vormde met voor die tijd vooruitstrevende ideeën als het bevorderen van bouwhistorisch onderzoek en de introductie van de cultuurhistorische effectrapportage (CHER), is het tot dusver bij een zoekproces gebleven. Ook de nota voor het integrale architectuur-, monumenten- en welstandsbeleid een jaar later maakte een pas op de plaats, hoewel men daarmee voorbeeldig inspeelde op de nieuwe Woningwet (2003).(2) Tot op heden blijft het dus worstelen met de bescherming van gemeentelijke cultuurhistorische waarden in de vastgoedsector.

Ondertussen schrijden de ontwikkelingen in de dynamische stad voort en komen steeds vaker ingrepen voor, waarbij cultuurhistorie niet eens betrokken kan worden in het besluitvormingsproces en dus achter het toneel verdwijnt. In 2003 constateerde de afdeling Stedelijke Inrichting, Dienst Stadsontwikkeling en Grondzaken van de gemeente Maastricht dan ook dat de vraag naar nieuw beleid op dit gebied steeds klemmender wordt. Een en ander noopte tot reflectie, in welk verband Res nova zich als gesprekspartner aandiende. Res Nova heeft een systematiek uitgewerkt voor een effectieve omgang met cultuurhistorie binnen de locale ruimtelijke parameters, die ook voor Maastricht uitkomst kan bieden.

In gezamenlijk overleg is een serie stappen gepland die eind 2004 moest leiden tot een beleidsnotitie. Centraal hierin staat de "synthese van de taakvelden van de verschillende gemeentelijke disciplines die betrokken zijn bij het behoud en de ontwikkeling van de stad Maastricht". Op ambtelijk niveau vraagt dit om afstemming tussen tenminste ruimtelijke ordening, monumentenzorg, archeologie en de sector groen. Dat vergt een omslag in het denken van sectoraal naar integraal. Om dit te bereiken is gekozen voor een aanpak waarbij op grond van een casusonderzoek een stramien wordt opgezet, dat vervolgens aan de hand van één of meer pilots wordt uitgetest. Naar bevind van zaken zal dit uitgewerkt worden tot een sluitend regime waarin geen nieuwe regels komen, maar bestaande besluitvormingsprocessen herijkt en verfijnd worden. Vanuit dit perspectief wil men het traditionele 'museale' monumentenspoor uit de vigerende nota's te verlaten voor een exercitie in het nog weinig gekarteerde gebied van de planologische bescherming. 



Precedent

Op rijksniveau heeft dit inmiddels een precedent in het voorstel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. De wetgever is hiermee afgestapt van de klassieke oplossing van een apart vergunningenstelsel. In plaats daarvan heeft hij gekozen voor een set kaderartikelen, waarvan de uitwerking plaats dient te vinden in het streekplan en het bestemmingsplan (3). Door koppeling aan de Woningwet en het vergunningenstelsel uit de Wet RO wordt met name op gemeentelijk niveau de feitelijke bescherming van nationale belangen geëffectueerd!

Nu is het dé grote verrassing van dit onderzoek, dat Maastricht met enkele bestemmingsplannen op dit gebied al wat vingeroefeningen achter de rug heeft (4). Maastricht is dus veel verder dan men dacht, zij het dat de sporen zo verpakt zaten dat er een onbevangen oog voor nodig was om ze naar boven te halen. Deze rudimenten bieden een prima basis voor de ontwikkeling van een gereedschapskist, die in dit verhaal de werknaam krijgt van Maastrichts planologisch monumentenregime (MPM). Binnen dit regime krijgt ook de Cultuurwaardenkaart van de gemeente als elementaire databank een plaats. Daarnaast speelt het MPM tevens in op het andere traject dat men wil benutten bij het beheer van het stedelijk onroerend erfgoed: het nieuwe welstandstoezicht dat met de Woningwet van 2003 van kracht geworden is (5). Ook hier zien we de opmerkelijke parallel met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.



Hoe luidde de opdracht en wat was het resultaat?

Met de gemeente Maastricht is in een serie sessies de volgende projectomschrijving overeengekomen: doel van de opdracht is een actueel overzicht krijgen van het beleidsveld, een herijking daarvan, een analyse van de bereikte resultaten en een voorstel voor het vervolg. Het onderzoek zal vooral worden gericht op het onderdeel cultuurhistorie, de wijze waarop objecten en structuren beschermd worden en de wijze waarop de cultuurhistorie deel uitmaakt van stadsontwikkeling.

De opdrachtomschrijving bestond uit vier onderdelen:

1. Een onderzoek of inventarisatie van bestaand beleid en activiteiten, hetgeen is ondergebracht in een afzonderlijke kadernota.

2. Een sterkte - zwakte analyse van bestaand beleid en bestaande activiteiten, m.n. wat betreft vragen als: 

  • wordt er blijkens de geanalyseerde stukken voldoende integraal gewerkt, is er voldoende samenhang?

Antwoord

de uitkomsten van het rollenspel en de Kadernota Cultuurhistorie daargelaten, heeft Maastricht met de nota De keuze voor kwaliteit, Nota architectuur-, monumenten- en welstandsbeleid Maastricht, een state-of-the-art geïntegreerd beleid neergezet. Dit wordt bevestigd door de Verordening op de Welstands-/Monumentencommissie 2003 dat het takenpakket van de geïntegreerde welstands/monumentencommissie behelst. Het beoogde MPM kan opgevat worden als een verdere uitwerking van de genoemde beleidsnota, waarbij de functie van de welstands/monumentencommissie als spin in het web geprolongeerd wordt.

  • is er sprake van overlap wat betreft de beoogde bescherming?

Antwoord

zoals het MPM nu wordt opgezet, komt er géén vorm van overlap. Wel is coördinatie belangrijk met bescherming op rijksniveau: 

  • door het MPM vindt de feitelijke bescherming van het rijksbeschermd stadsgezicht plaats 
  • door het MPM te verankeren in artikel 44 van de Woningwet blijft de bestaande integratie van de welstandstoets en het separate vergunningenstelsel voor rijksmonumenten gehandhaafd
  • door harmonisatie met de Flora- en faunawet, de komende Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de 'Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven' wordt ook op deze punten overlap vermeden.
  • welke doelstellingen worden gediend en zijn die realiseerbaar?

Antwoord

vooruitlopend op de Kadernota Cultuurhistorie kunnen alvast de doelstellingen uit de cultuurhistorische paragraaf van de volgende beleidsnota's en wettelijke regelingen vermeld worden: 

  • Nota Ruimte
  • Nota Belvedere 
  • (Nieuwe) Wet RO
  • Woningwet
  • Monumentenwet 1988
  • Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2004
  • Flora- en faunawet
  • Provinciaal Omgevingsplan Limburg 
  • De keuze voor kwaliteit, Nota architectuur-, monumenten- en welstandsbeleid Maastricht.

Hoewel besluitvorming per definitie belangenafweging betekent en dus het risico van compromissen altijd aanwezig is, is er, gelet op de resultaten van dit casusonderzoek, geen reden aan te nemen dat de doelstellingen op het punt van cultuurhistorisch kwaliteitsbeheer onhaalbaar zouden zijn. Het tegendeel is het geval: zelfs de Nota Ruimte poneert cultuurhistorie als een voorwaardenscheppend beginsel voor de (her)inrichting van Nederland. Wie deze stelling afzet tegen de ervaringen van Maastricht, zoals geformuleerd in De keuze voor kwaliteit, zal daar alleen maar een bevestigend antwoord op vinden.

  • kan de 'Res nova - methode' een belangrijke verbetering zijn, wat betreft de beoogde bescherming, integraliteit en synergie van het beleid op het gebied van cultuurhistorie/monumentenzorg en stadsontwikkeling?

Antwoord

het resultaat van het onderhavige casusonderzoek geeft aan dat de introductie van het MPM een belangrijke kwaliteitsimpuls zal betekenen voor het totale besluitvormingsproces op het gebied van bouwen, aanleggen en de ruimtelijke ordening.

  • welke stappen kunnen / moeten worden gezet ter verbetering en aan welke randvoorwaarden moet dan zijn voldaan? 

Antwoord

om te beoordelen of de casusanalyse de juiste weg aangeeft is het van belang het MPM uit te testen aan de hand van een pilot buiten en een pilot binnen het beschermd stadsgezicht. Daarnaast zal een traject opgezet moeten worden voor het interne draagvlak binnen de ambtelijke organisatie.



Follow up

Inmiddels hebben de aanbevelingen tot de pilot met het bestemmingsplan Malberg/ Oud-Caberg geleid. Hieruit is het Maastrichts Planologisch Erfgoedregime ontwikkeld dat bij de Res novae wordt toegelicht.

 

Noten:
1] Nota Monumentenbeleid 1997- 2005 Gemeente Maastricht, Maastricht Dienst Stadsontwikkeling en grondzaken, z.j. (1997), p. 25

2] De keuze voor kwaliteit, Nota architectuur-, monumenten- en welstandsbeleid Maastricht, Maastricht dienst SOG 1998, i.h.b. p. 52. 

3] Wet op de Archeologische Monumentenzorg (voorstel 2004), artikelen 39 tot en met 43. Men zou kunnen stellen dat deze opzet analoog is aan het rijksbeschermde gezicht, zij het dat het Rijk daar het probleem over de gemeentelijke schutting heeft gegooid, terwijl met dit wetsvoorstel concrete sturing wordt geboden.

4] Zie onder meer het Bestemmingsplan Biesland-Campagne-Wolder, vastgesteld op 27 juni 2000 en goedgekeurd door de provincie 18 oktober 2000. 

5] Woningwet 2003, artikelen 1, 2, 8; in het bijzonder de artikelen 12, 12a, 12b en 12c; en tenslotte de artikelen 19, 23 , 44 en 48. Zie voorts: Naar een gemeentelijke welstandsnota, werkdocument met model en toelichting, VNG, Den Haag 2000.

×

Ù 2 y @ Ñ

Res nova's woordenboek