De entree van het PER© in 2005
Het PER©, oftewel het planologisch erfgoedregime, is Res nova's alternatief voor de traditionele gemeentelijke monumentenverordening. Ons bureau heeft dit ontwikkeld voor de gemeente Maastricht, waar het de naam heeft van Maastrichts planologisch erfgoedregime (MPE). In hoofdlijnen werkt de systematiek als volgt:
hoogwaardige structuren, groenelementen, karakteristieke details en opstallen die gelegen zijn binnen de zogenaamde erfgoedcontour die vastgelegd is op de bestemmingsplankaart
een beheer- en sturingskaart die deel uitmaakt van de Beschrijving in hoofdlijnen (BIH) van de bestemmingsplanvoorschriften
een aparte set met bestemmingsplanvoorschriften die specifiek gekoppeld is aan de dubbelbestemming 'Maastrichts erfgoed'
een voorbereidend Cultuurhistorisch basisonderzoek (CHBO) met verhaal van de plek, waardenstelling, waardenkaarten, indicatieve kaart bodemarchief, beeldkwaliteitconcept en een beknopte inventarisatie in de vorm van een database aan de hand van spreadsheets
één artikel in de monumentenverordening om de relatie erfgoed, bestemmingsplan en woningwet tot stand te brengen
een terughoudend vergunningenstelsel, waarbij alles afgehandeld wordt binnen de reguliere bouw- en aanlegvergunning, waardoor overheid de burger extra lasten in termen van tijd en geld bespaart.
Primeur
14 juni 2005 is het eerste ontwerp-Bestemmingsplan van Maastricht ter visie gelegd waarin het planologisch erfgoedregime is opgenomen. Sedert 2006 is dit bestemmingsplan onherroepelijk vastgesteld. Voor Nederland is dit een primeur!

Concept van de beheer- en sturingskaart van
Oud-Caberg en Malberg.
Deze maakt deel uit van de
beschrijving-in-hoofdlijnen (BIH) van het bestemmingsplan.
Toelichting
In 2004 heeft de gemeente Maastricht opdracht gegeven aan Res nova om een alternatief voor de klassieke gemeentelijke monumentenverordening te ontwikkelen. Men had het gevoel dat een monumentenverordening niet meer paste bij het omgaan met het onroerende erfgoed vandaag de dag. Ook bleek het instrument te kostbaar om in te voeren en te effectueren. Toch vraagt het ambitieniveau van het beleid om een pro-actieve aanpak. Zoals men in de architectuur- en monumentennota van 1998 al constateerde, staat de stad “niet alleen bekend om het hoge niveau van haar architectuur, maar ook om haar grote traditie op het terrein van het ruimtelijke kwaliteitsbeheer. Generaties lang heeft de stad geïnvesteerd in een duurzaam leefklimaat, in het behouden van haar rijke historische erfgoed, in de stadsvernieuwing, in de naoorlogse wijken en in het omringende landschap”.
Het erfgoed vormt hierbinnen geen statische component, maar een inspirerende trekker van ontwikkelingen: “de potenties en de wezenskenmerken van de plek (‘genius loci’)” worden door de gemeente bij grote ruimtelijke projecten ingezet om te voorkomen dat “er storende breuklijnen tussen oud en nieuw ontstaan”. Naast zaken als cultureel besef, ambitie en identiteit, neemt de stad door haar historische aanzien en eigentijdse levendigheid een belangrijke rol in. Dit vormt een waarde gekoesterd moet worden. Die zorg start op het niveau van de ruimtelijke ordening en het bouwen, waar het streven naar kruisbestuiving tussen oud en nieuw geleid heeft tot de ontwikkelingen van een nieuw regime voor het beheer van het onroerend cultuurgoed.
Beleidsdoelen
Om tot synergie tussen het ruimtelijk en cultuurhistorisch kwaliteitsbeheer te komen, heeft de gemeente voor een innovatieve methode gekozen, waarbij zij verschillende beleidsdoelen verenigt:

Het MPE wordt uitgetest in een van de
dorpslinten van Maastricht, Oud-Caberg.
Ook het historisch
groen is hier beschermd via het bestemmingsplan.
![]()
![]()
Niet statisch, maar dynamisch
De bescherming van onroerend erfgoed roept bij velen nog het beeld op van een openluchtmuseum, waar het historisch gegroeide beeld in een bevroren toestand blijft voortbestaan. Dit is onjuist. Jurisprudentie met betrekking tot de rijksbeschermde gezichten, waar het planologisch erfgoedregime (PER) op voortborduurt, geeft aan dat de wetgever het bevriezen nooit als doel heeft gezien:
De vrees […]dat de aanwijzing beperkingen en belemmeringen voor de bevolking met zich zal brengen werd door de Kroon ongegrond geacht, omdat de aanwijzing er niet toe strekt de bestaande situatie te bevriezen. De Kroon heeft in dit verband reeds meerdere malen overwogen dat de aanwijzing bij de verdere ontwikkeling van het beschermd gezicht wel betekent dat de wenselijk of noodzakelijk geachte veranderingen slechts zo kunnen geschieden, dat aan het aspect van het geheel geen, althans zo weinig mogelijk, schade wordt toegebracht.
Deze visie kreeg met de rijksnota Belvedere nieuw leven ingeblazen: “Behoud door ontwikkeling” werd het motto. De gemeente Maastricht heeft dit gedachtegoed tot uitgangspunt genomen van haar nieuwe monumentenbeleid. Vandaar dat het nieuwe Maastrichtse regime niet is afgestemd op de traditionele toelatingsplanologie, maar inzet op ontwikkelingsplanologie. De voorschriften gaan dus niet uit van een “Nee, tenzij”, maar een “Ja, mits”. Alleen op die manier kan in een dynamische stad de zorg voor het erfgoed op een realistische manier behartigd worden.

In Malberg golft het oorspronkelijke
landschap door de 'nieuwe' wijk heen.
Harmonisatie regelgeving
Dit realisme zet ook de toon voor de opzet van het PER©. Hoewel in het verleden al eerder – vergeefse – pogingen zijn gedaan om monumentenzorg op gemeentelijk niveau binnen het bestemmingsplan een plaats te geven, stuitte dat op een aantal onoverkomelijke bezwaren. Het belangrijkste was, dat men het onroerend erfgoed als hoofdingrediënt van de ruimtelijke kwaliteit wel kon (en kan) aanwijzen, maar dat het bestemmingsplan verder te weinig handvatten biedt voor het dagelijks beheer. Wil men immers de kwaliteit van de historische bepaalde omgeving borgen dan moet het mogelijk zijn om ook aan het aanzien van de panden bij onderhoud en verbouwing regels te stellen. Dat was geen belang dat in het kader van de wet RO afgewogen kon worden.
Aan deze patstelling kwam een einde met de introductie van het nieuwe, gebiedsgerichte welstandsbeleid in de herziene Woningwet (2003). De Memorie van Toelichting benadrukt hoe belangrijk het is om deze op een cultuurhistorische leest te schoeien, zodat bij het bouwen en verbouwen een nieuw hoofdstuk toegevoegd kan worden aan ‘het verhaal van de plek’. Doordat de relatie tussen welstandsbeleid, Woningwet en bestemmingsplan wettelijk is vastgelegd, leek een hechte basis aanwezig om ruimtelijk en cultuurhistorisch kwaliteitsbeheer met elkaar te verenigen.

De woningen voor de 'achterblijvers' vormen
een cultuurhistorisch fenomeen
dat planologisch beschermd kan worden binnen de categorie
basisbeheer
Koppeling monumentenverordening
Toch school er nog een adder onder het gras: dezelfde Woningwet die met het gebiedsgerichte welstandsbeleid de deur opent voor een effectieve koppeling met het bestemmingsplan, maakt ook een breder scala aan vergunningvrije bouwwerken mogelijk. Dat kan een bedreiging inhouden voor het feitelijk beheer van cultureel erfgoed, zoals bijvoorbeeld het dorpslint van Oud-Caberg bij Maastricht. Wanneer te pas en te onpas dakkapellen, carports, schuurtjes, erfafscheidingen en dergelijke in een beschermenswaardige ambiance mogen worden gebouwd, dan boet de cultuurhistorische kwaliteit al snel aan betekenis in.
Daarom is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke monumentenverordening die via een regeling in de Woningwet een strenger welstandsbeleid mogelijk maakt: als er sprake is van vergunningvrije bouwwerken vallen deze bij een gemeentelijk monument onder de categorie lichte bouwvergunningen, terwijl werkzaamheden die normaal een lichte bouwvergunning vergen opschuiven naar de reguliere vergunningplicht.
Om deze koppeling concreet vorm te geven is aangesloten bij de standaardomschrijving van het begrip monument uit de Monumentenwet 1988 die ook de VNG voor haar modelverordening aanhoudt:
a. monument:
1. zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1;
Gebruikelijk volgt na deze begripsbepaling de uitleg van 'archeologisch monument' en 'gemeentelijk beschermd monument'. Wanneer men deze vanwege de integraliteit van het PER© in de aan te passen verordening samenvoegt, is het mogelijk een definitie te maken die de relatie legt met het bestemmingsplan.
In praktische zin wordt op het cultuurgoed een dubbelbestemming gelegd die naast, maar niet ondergeschikt aan de enkelvoudige bestemming (wonen, maatschappelijke doeleinden, et cetera) van kracht is. Zoals gezegd, maakt deze koppeling àlle bouwwerken aan een gemeentelijk monument vergunning- en dus welstandsplichtig!
Ondertussen blijft het aanlegvergunningenstelsel
functioneren als poortwachter bij de meer rigoureuze ingrepen
als het rooien of vergraven van cultuurgoed. Voor slopen is
inmiddels in de nieuwe wet RO een apart vergunningenstelsel opgenomen. Voor alle
andere werkzaamheden die niet onder de Woningwet vallen wordt in de
voorschriften ten aanzien van het hoogwaardig bestemde gebied
op de plankaart een aanlegvergunning vereist.
Overigens betreft dat ook zaken als interieurs en
gevelafwerking waarop de Woningwet immers geen greep biedt.

De systematiek van elkaar aanvullende
regelgeving geeft bescherming dankzij een uitgekiende
interactie (Nota bene: in dit schema zijn de aanpassingen
verwerkt
die volgen uit de nieuwe Wet op de ruimtelijke
ordening).
Aanvulling gereedschapskist
Doordat de klassieke monumentenzorg die exclusief op gebouwen was gericht in het planologisch erfgoedregime op het terrein van de welstand komt te liggen, komt het accent bij de gebiedsgerichte welstandscriteria voor een belangrijk deel op de cultuurhistorische karakteristiek te liggen. Dit levert in de praktijk geen problemen op. Niet alleen speelt de huidige Welstandsnota van de gemeente Maastricht daar voorbeeldig op in, ook voorbeelden elders geven aan dat cultuurhistorie een werkbare grondslag is voor de formulering van welstandscriteria.
De gemeente heeft echter nog een extra waarborg achter de hand: bij ieder bestemmingsplan dient in het kader van het PER© aan het begin van het traject een cultuurhistorisch basisonderzoek opgesteld te worden ter motivering van de cultuurhistorische beheer- en sturingskaart en de (algemene) beschrijving in hoofdlijnen.
Hierbij is gekozen voor een opzet, waarbij de afrondende hoofdstukken van het cultuurhistorisch basisonderzoek bestaan uit een beeldkwaliteitconcept met daarin potentiële gebiedsgerichte welstandscriteria. Hierdoor kan de Welstandsnota bij tussentijdse evaluaties profiteren van voortschrijdend inzicht. Doordat het cultuurhistorisch basisonderzoek mede ter visie wordt gelegd, kunnen het voornoemde concept en de criteria vervolgens ingezet worden als beheersinstrument voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Evaluatie
De gemeente heeft voor 2008 een evaluatie van de systematiek gepland, waarvan de uitkomsten nog niet bekend zijn. Na het tweede project Amby-Geusselt en het derde plangebied Maastricht-West (dat overigens niet door Res nova wordt uitgevoerd) wil men bekijken welke zaken in de praktijk overgedimensioneerd blijken te zijn en welke zaken juist een tandje hoger moeten. In het kader van de invoering van de nieuwe Wet RO zullen in ieder geval de voorschriften tegen het licht gehouden moeten worden.
Zie voor meer informatie: Res nova's woordenboek; CHBO Oud-Caberg; CHBO Malberg
|
|
|