Besluit Rijkssubsidiering Instandhouding Monumenten (BRIM) in de bètafase (2006-2008)

Bètafase — In de 'bètafase' van het BRIM zijn in 2006 onder vigeur van Res nova vier aanvragen ingediend:

Om een optimaal resultaat te waarborgen heeft Res nova de aanvragen verzorgd in overleg met de regioman van (voorheen) de RDMZ, die zich met name gebogen heeft over het probleem van de aanpak van de categorisering. Niettemin maakt ook hij een pas op de plaats en blijft het spannend hoe zijn collega's van het BRIM-team in Zeist hierover zullen oordelen. Res nova gaat er van uit dat men na deze eerste BRIM-ronde de fase van de kinderziektes gepasseerd zal zijn. Hoewel het systeem er daardoor niet minder omslachtig op zal worden, zal er wel een stramien uit rollen dat voor toekomstige aanvragen een garantie op succes in zich bergt.

2006 — Na een BRIMmige zomer zijn in december 2006 de uitslagen van de eerste exercities van Res nova met de nieuwe subsidiemethode bekend geworden: alle vier de projecten zijn volledig gehonoreerd. Kan Res nova de eer opeisen voor de kastelen Hasselholt te Ohé en Laak, Horn te Horn en Wolfrath* te Holtum, bij molen Zeldenrust te Thorn is dat te danken aan het stramien van De Hollandsche Molen. So far, so good!



Ook 2007 en 2008 kende BRIMmige tijden die uitwezen dat de nieuwe subsidieregeling de bètafase nog niet voorbij is. Welke projecten zijn in 2007 door Res nova ingediend:

Deze zijn allemaal gehonoreerd.

Daarnaast zijn in het kader van de Regeling rijkssubsidiering wegwerken restauratieachterstand 2007(Rrwr 2007) - die deel uitmaakt van het BRIM - twee aanvragen verzorgd:

Alle aanvragen zijn in samenwerking met ir Karl Pesch Konopka van Stadsherstel Limburg uitgevoerd en hebben weer tot aanvullende expertise met het systeem geleid. Eigenaren die de komende jaren met hun monument instromen zal Res nova dan ook goed kunnen bedienen, ook al blijft het delen in de armoede.

Res nova heeft in 2008 de onderlegger verzorgd van de aanvraag voor het gebouw van de Delftsche Studenten roeivereeniging Laga te Delft. 

Het BRIM in de praktijk

Onze ervaringen met de bètafase van dit systeem hebben we hierna als volgt gerangschikt:

Niet transparant, maar omslachtig — Hoewel het BRIM  is aangekondigd als een vereenvoudiging van het vroegere systeem, bestaande uit het BRRM en het BROM, blijkt het in de praktijk een uitermate bewerkelijke regeling te zijn. De beoogde transparantie die het rijk aan het veelgeprezen BROM beloofde te zullen ontlenen, is achterwege gebleken. Dit heeft vooral te maken met de complexe eisen die aan het PIP (periodiek instandhoudingsplan) worden gesteld:

Lacune in de leidraad — Met name dit laatste levert een probleem op, omdat hiervoor géén richtlijnen zijn ontwikkeld, terwijl het in het formulier staat omschreven als een vraag waarvan de correcte beantwoording absolute voorwaarde is wil de subsidieaanvraag überhaupt in behandeling worden genomen. De leidraad subsidiabele kosten - die eveneens bijzondere studie vergt wil men de systematiek goed toepassen - zwijgt hierover in alle toonaarden.

Type A tot en met D — Om een indruk te geven: vanaf categorie B moeten er besteksomschrijvingen en plattegronden en opstanden met een registratie van de werkzaamheden worden ingediend. Vanaf categorie C komen daar detailtekeningen van de uit te voeren werkzaamheden bij, terwijl voor de zwaarste categorie D specialistische rapporten worden gevergd. Waar type A eindigt en B begint - en zo verder - moet de eigenaar zelf zien te achterhalen: het aanvraagformulier en de toelichting geven slechts een beperkt aantal voorbeelden die bepaald niet dekkend zijn voor het gehele scala aan potentiële onderhoudswerkzaamheden. In 2007 heeft de RACM daar geen helderheid in gebracht, hooguit meer verwarring doordat type A is afgeschaft en type B de positie van A inneemt. Het zal duidelijk zijn dat de eigenaar een deel van de subsidie dient te investeren in het verzorgen van de aanvraag. Naar gelang er meer tekeningen en besteksomschrijvingen nodig zijn kan dat oplopen tot 20% van het maximaal uit te keren bedrag!

Het rijk heeft dan ook zijn belofte aan de monumenteneigenaren níet waargemaakt.

Certificering model Hollandsche MolenDe enige groep eigenaren die min of meer de dans ontspringt, betreft die van de molens: de stichting De Hollandsche Molen heeft namelijk een model binnen het programma MS Excel ontwikkeld dat gecertificeerd is door de RACM. In dit format is de kwestie van de categorieën A, B, C en D geheel buiten beschouwing gelaten, terwijl de vraag naar het beoogde resultaat van de meerjarencampagne is afgehandeld met het antwoord: "De molen draait weer". Dat laat onverlet dat dit een zeer bruikbaar model is, dat Res nova ook vanmwege de prijs pro-actief aanbeveelt aan de betreffende categorie eigenaren. Dat geldt temeer, omdat de RACM heeft laten weten dat men alle aanvragen aan de hand van dit format zonder meer in behandeling neemt. Een paar van de drempels die andere eigenaren moeten nemen, blijven de molens zo bespaard. Onwillekeurig dringt zich wel het gezegde op van George Orwell: all animals are equal, but some animals are more equal thans others.

Vergelijking Fiscaal verhaal© Wanneer men het BRIM-labyrint vergelijkt met de regels die de fiscus en het NRF hanteren voor het afgeven van de bindende beschikking voor de fiscale aftrek en de laagrentende monumentenfondshypotheek, ziet dat er een wereld aan verschil bestaat, waardoor men welbeschouwd zou kunnen spreken van rechtsongelijkheid tussen de eigenaren van woonhuismonumenten en boerderijen zonder agrarische functie - die voor Fiscaal verhaal© in aanmerking komen - en de overige categorieën eigenaren. Die ongelijkheid wordt enigermate opgeheven door de combinatie van BRIM en fiscale aftrekmogelijkheden, waarvoor Res nova het FIT© heeft ontwikkeld.

Het FIT© (Financieel instandhoudingstraject voor Rijksmonumenten)

Als antwoord op het nieuwe subsidiestelsel voor Rijksmonumenten, het BRIM, heeft Res nova het Financieel instandhoudingstraject (FIT©) voor Rijksmonumenten bedacht. Niet alleen kunnen we daarmee volgens de regels van de kunst de subsidieaanvraag onderbouwen, maar ook de fiscale aftrek regelen voor dat gedeelte van de werkzaamheden dat níet gesubsidieerd wordt. 

Het FIT© kunt u dus beschouwen als een Fiscaal verhaal© +.

Dat betekent dat alle samenstellende delen van Fiscaal verhaal op de inmiddels vertrouwde manier worden geleverd, waarbij het gebrekenplan de basis vormt voor het periodiek instandhoudingsplan (PIP) dat u bij de subsidieaanvraag moet meeleveren.

Het FIT© bestaat dus uit:

Zoals we elders op deze website hebben uitgelegd, zijn het gebrekenplan en de cultuur- en bouwhistorische analyse voor meer doelen inzetbaar, zoals: 

Res nova houdt uw monument dus topFIT© met dit veelzijdige instrument.

Opgemerkt moet worden, dat hierbij wel een kritische succesdrempel geldt: recent als het BRIM in werking is getreden, blijkt het aan de nodige kinderziektes te lijden, waardoor de regeling nog in het stadium van de bètafase verkeert. Daardoor is het geven van een prognose van de subsidiabele kosten vooraf geen uitgemaakte zaak, hoewel Res nova de stukken in goed overleg met de verantwoordelijke Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumentenzorg (RACM) opstelt.

Instroomschema van rijksmonumenten in het BRIM

2006 Molens, kastelen, landhuizen e.d., horeca-instellingen

2007 Boerderijen, woonhuizen, delen van woonhuizen en weg- en waterwerken

2008 Openbare werken, liefdadigheidsinstellingen, losse objecten

2009 Kerkelijke gebouwen en kerkelijke objecten/ onderdelen met rijksmonumentnummers: 45.950 - 530.000

2010 Kerkelijke gebouwen en kerkelijke objecten/ onderdelen met rijksmonumentnummers: 0 - 26.099

2011 Kerkelijke gebouwen en kerkelijke objecten/ onderdelen met rijksmonumentnummers: 26.100 - 45.949

Het BRIM volgens het 'theoretisch' model

Hoe werd het ons verleden jaar ook alweer allemaal gepresenteerd? We bieden u hierna aan de hand van de verschillende beleidsnotities en -uitspraken een venster op het verleden:

Het omslachtige subsidiestelsel van het BRRM 1997 is de afgelopen jaren in steeds sterkere mate onder vuur komen te liggen. Ook de staatssecretaris onderkent de verschillende problemen daarmee, met name het complexe prioriteringssysteem (GRUP, PRUP, RDMZ en NRF) en het feit dat de restauratieregeling soms gunstiger uitpakte dan de onderhoudsregeling (70% voor restauratie, 50 % voor onderhoud). Omdat daartegenover de onderhoudsregeling van het BROM goed werkt en klantvriendelijker is is dat als uitgangspunt genomen voor het nieuwe stelsel, het BRIM.

In januari 2005 werd het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten vastgesteld . In mei werd het in de tweede kamer goedgekeurd. Het BRIM trad per 1 januari 2006 in werking en verving het BRRM 1997 en het BROM.

Het BRIM heeft, net als de huidige regelingen, geen betrekking op archeologische monumenten. Alleen de werkzaamheden waarvan de kosten als subsidiabel worden aangemerkt kunnen ook daadwerkelijk worden gesubsidieerd. Deze subsidiabele kosten blijven vooralsnog beperkt tot gebouwde monumenten en 'monumentaal groen' wordt voorlopig dus niet gesubsidieerd. Daarom wordt het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen (BRHB) vooralsnog als aparte regeling gehandhaafd.

Een groot verschil met het huidige stelsel (BRRM 1997) is dat gemeente en provincie in het BRIM geen rol hebben bij de verdeling van middelen. Lagere overheden zijn wel aanspreekpunt voor de eigenaar, moeten beoordelen of voor een instandhoudingplan een vergunning nodig is, en zij controleren of er in overeenstemming met de vergunning wordt gewerkt. Bij een subsidieaanvraag wordt de aanvrager dan ook aangespoord met de gemeente contact op te nemen over de voorgenomen werkzaamheden.

Instandhoudingregeling rijksmonumenten — In de nieuwe regeling wordt in plaats van de begrippen 'onderhoud en restauratie' alleen de term 'instandhouding' gehanteerd. Voor deze nieuwe regeling gelden drie uitgangspunten:

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten monumenteigenaren:

Planning — Vooruitlopend op de invoering van het BRIM waren twee noodzakelijke regelingen voorbereid :

Overige samenhangende beleidsvoornemens — Als tweede punt is door de staatssecretaris aangekondigd dat de aanvraag voor een monumentenvergunning vereenvoudigd zal worden. Gemeenten moeten op dit moment een vergunningaanvraag altijd voor advies voorleggen aan 'hun eigen monumentencommissie' én aan de minister. Deze dubbele adviesplicht wordt beëindigd, waardoor de gemeente als vergunningverlenende instantie meer verantwoordelijkheid krijgt.

De RDMZ focust — De adviesplicht van de minister (i.c. de RDMZ) verandert daarmee in een adviesbevoegdheid. Het aantal adviezen zal daardoor verminderen en de RDMZ zal zich concentreren op die aanvragen waar advisering door het rijk een duidelijke meerwaarde oplevert (ingrepen die bijvoorbeeld een specifieke deskundigheid vereisen waarover de betreffende gemeente niet beschikt).

"Langs deze weg kan ik het aantal adviezen substantieel terugbrengen, bureaucratie verminderen en tegelijkertijd mijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de monumentenzorg blijven waarmaken. Daarnaast kunnen gemeenten de RDMZ verzoeken te adviseren over vergunningaanvragen" (Kenmerk: DCE/04/25731, 7 juni 2004, nadruk in de tekst door Res nova.)

Kwaliteitssysteem — Gemeenten gaan monumentenzorgtaken zelfstandiger uitvoeren en de RDMZ zal meer als dienstverlenend kenniscentrum gaat opereren. Om deskundigheid bij de activiteiten van gemeenten en uitvoerende partijen te waarborgen zal een kwaliteitssysteem (waarin een relatie wordt gelegd met de vergunningprocedure en de instandhoudingregeling) worden ontwikkeld.

Als het kwaliteitssysteem naar behoren werkt zal de kwaliteitscontrole door de RDMZ waarschijnlijk versoepeld kunnen worden:

Voor gemeenten die het 'waar' maken zal op dit terrein dus sprake zijn van decentralisatie en grotere eigen bevoegdheden, waarmee over het algemeen ook tijdwinst geboekt kan worden.

Eigenaren binnen het BRIM — In de nieuwe regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten monumenteigenaren, met verschillende mogelijkheden tot financiering van de kosten van instandhouding:

Binnen de groep van 'overige eigenaren' worden zoals gezegd nog twee bijzondere categorieën eigenaren onderscheiden: 

Voor de 'overige eigenaren' geldt een overgangsregeling omdat onder het huidige regime budgetten voor zes jaar vooruit worden geoormerkt. Financiële consequenties voor de rijksbegroting zijn nihil.

Specificatie overige eigenaren — Tot deze categorie behoren bezitters van andere monumenten dan woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie. Bij deze monumenten is in beginsel bepalend de oorspronkelijke functie van het object. Het gaat hier veelal om bouwwerken die niet of nauwelijks renderen en relatief veel subsidie nodig hebben om te kunnen voortbestaan; kerken, kastelen, molens, gemalen et cetera. Zij worden vaak beheerd door publiek- en privaatrechtelijke lichamen zonder mogelijkheid tot belastingaftrek. Juist bij deze monumenten moeten onnodige en dure restauraties worden voorkomen. Eigenaren hiervan kunnen daarom in de toekomst op basis van een goedgekeurd zesjarig instandhoudingplan een geïntegreerde subsidiebijdrage krijgen voor restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, met een subsidiepercentage dat een gewogen gemiddelde is van de huidige percentages voor restauratie en onderhoud. Daardoor zal het planmatig onderhoud worden gestimuleerd.

Aanvraag subsidie — Over de subsidiabele kosten worden bij ministeriële regeling nadere voorschriften gegeven. De subsidieaanvraag wordt direct bij de RDMZ ingediend. Om te voorkomen dat sprake is van een open einderegeling kan jaarlijks een subsidieplafond worden vastgesteld. Tevens kunnen bij ministeriële regeling voor verschillende categorieën monumenten maximum subsidiebedragen worden vastgesteld. Aldus wil de staatssecretaris voorkomen dat bepaalde monumenten ('kanjers') een onevenredig beslag leggen op het beschikbare budget, dat wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen. Met het oog op de uitvoerbaarheid geldt in alle gevallen een drempelbedrag van € 1.200 aan subsidie voor de periode van zes jaar.

Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen — Naast het BRRM 1997 en BROM bestaat het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen (BRHB). Deze regeling biedt financiële ondersteuning aan een (relatief kleine) groep particuliere eigenaren van buitenplaatsen. Het besluit is een uitvloeisel van al langer bestaande samenwerking met het Ministerie van LNV. De Minister van OCW ondersteunt het herstel van gebouwen (niet het hoofdhuis cum annexis), bouwwerken en objecten die vervaardigd zijn ten behoeve van de inrichting, aankleding en het gebruik van park en tuin. De Minister van LNV ontfermt zich over het herstel van de groene elementen en waterpartijen in de aanleg.

Het BRHB wordt vooralsnog als aparte regeling gehandhaafd, en historische buitenplaatsen blijven gesubsidieerd op grond van het BRHB.

 

R

E

B

U

S