Magister operum |
Dit begrip is door Cuypers zelf pas zeer laat in zijn carrière geïntroduceerd en wel in zijn inleiding tot het naslagwerk van Jan Kalf over de katholieke kerkgebouwen in Nederland, gepubliceerd in 1906-1916, waarin hij stelt:
De architect, die de middeneeuwen terecht noemden Magister operum, den Meester van het werk, moet kunstenaar zijn, moet bezieling, scheppingskracht bezitten.
Het gebruik van deze titel valt binnen de Cuypers-historiografie te herleiden tot het artikel van Sible de Blaauw: 'Een negentiende-eeuwse Magister operum'. Het grappige is, dat je in de middeleeuwen nooit de meervoudsvorm zult aantreffen. Het gaat namelijk niet om de artistieke leider van het Gesamtkunstwerk, dat uit verschillende samenhangende 'werken' bestaat, maar om de directeur van de bouwloods, de bouwkeet, de "maître de l'oeuvre" in het Frans, of de "meester van den wercke" in het Diets en Oud-Hollandsch en de magister operis in het Latijn.

Cuypers als middeleeuwse architect op het model voor een
sluitsteen
Wat heeft dit nu met de oplossing van de amuse te maken? Zegt deze sluitsteen op zichzelf al genoeg of is het ook nog nodig om te gaan googlen? Voor de een wel, voor de ander niet.
Bij wie hoor jij?