Home | De vliegende architect | De reizen van Cuypers | Besteladres | Contact

De vliegende architect - Op reis met Pierre Cuypers

Pierre Cuypers was werkelijk een ‘vliegende architect’. Zo noemde Dora Alberdingk Thijm, de zus van zijn vrouw Nenny, hem in 1905. Een passend beeld, ook voor een negentiende-eeuwer. Cuypers was steeds bezig, steeds op weg, de ideale werkende Nederlander zou je zeggen. Hij bouwde ruim 70 kerken, adviseerde bij 723 restauraties, realiseerde het Amsterdamse Rijksmuseum en het Centraal Station. Een geweldig organisator met veel energie en creativiteit. Overdag stuurde hij zijn architectenbureau en de Kunstwerkplaats Cuypers-Stoltzenberg aan en gaf les aan diverse scholen. ’s-Avonds zat hij met zijn tekenplank in de huiskamer, terwijl zijn vrouw piano speelde en zong. Als 62-jarige begon hij met zijn zoon Joseph aan de restauratie en herbouw van kasteel De Haar, een werk dat pas rond 1913 beëindigd zou worden. Tussen die bedrijven door was hij steeds op pad. In vele tientallen brieven deelde hij zijn reiservaringen met zijn tweede echtgenote, Antoinette (Nenny) Alberdingk Thijm. Hij trouwde met haar op 1 maart 1859, vier jaar na de dood van zijn eerste vrouw, Rosalia van de Vin. Zijn werk is te vinden aan de lijnen waarlangs Nederland door het spoor werd opengelegd. Hoewel hij in september 1862 klaagde over ‘dat reizen, dat reizen, - het neemt zoo veel tijd weg’, zou hij nooit zoveel hebben kunnen bouwen zonder dat vermaledijde reizen. In de jaren na 1850 trok hij Nederland rond per trekschuit en diligence en soms te voet. Later reisde hij steeds meer per trein in een land dat in onze ogen voor een groot deel woest en ledig was. Dat realiseren we ons als we weten dat rond 1860 ruim 20 % van ons land bestond uit woeste heidegrond, 70 % uit landbouwgrond en 0,5 % uit bebouwing. Bedenk daarbij eens dat momenteel al meer dan 10 % van ons land is bebouwd. Cuypers bezocht zijn opdrachtgevers, controleerde de werken en tekende gebouwen. Als netwerker legde hij contact met mogelijke toekomstige opdrachtgevers. Zo reisde hij op 17 november 1866 naar Groningen. ‘Mijne overtocht over de Zuiderzee is ofschoon een weinig onstuimig zeer goed afgeloopen. Een twaalftal Heeren en eene friesche Dame hebben zonder gebruik behoeven te maken van de reeds geprepareerde helder witte spoelkommen Harlingen bereikt na een flinke beefsteak en ik daarenboven nog eene halfve (fijne of liever goede) flesch gebruikt te hebben’. Op de tocht naar Groningen naar Leeuwarden ontmoette hij ook de pastoors van Blauwhuis, Kloosterburen en Dokkum en probeerde hij ook nog in Sneek te komen. In al die plaatsen heeft hij uiteindelijk kerken gebouwd. Het reizen legde hem dus geen windeieren, zijn klachten over het vele roken in schuit en rijtuig ten spijt. Nog als 87-jarige ging hij in 1914, nota bene per auto, naar Leuven, om er de oorlogsschade op te nemen.

Reisschema’s
Het begrip ‘onthaasting’ kwam in Cuypers’ vocabulaire niet voor. In een brief aan zijn vriend en latere zwager Jozef Alberdingk Thijm schrijft hij: ‘Morgen moet ik weer course maken -Sittard-Grave-Oeffelt-St.-Agatha-Demen-Huissen-Vorden-'. Dergelijke reizen kan hij maken dank zij het spoorwegnet en de reistijden steken niet eens ongunstig af bij de huidige dienstregeling. Op Sint Laurentiusdag, 10 augustus 1859 is hij in Amsterdam: ‘morgen eerste trein naar Haarlem, Vogelzang, Schiedam donderdag, vrijdag naar Rotterdam, over ’s-Bosch naar Veghel. Zaterdag van Veghel, Oirschot, Eindhoven’. Allemaal plaatsen waar hij een kerk bouwde of restaureerde. Op 3 januari 1868 reist hij naar Kloosterburen, niet per trein maar ‘in de wereldberoemde en steeds goed befaamde wagen van Van Gend & Loos’. De brief van 21 augustus 1895 aan zijn zoon Joseph, die vanaf 1892 met hem samenwerkt aan kasteel De Haar, geeft een ander reisschema: ‘Maandag 2 sept. Roermond tot donderdag. Woensdagavond of ‘s-morgens Venray 9.03, ‘s-namiddags Nijmegen 5.29, vrijdag 12.30, 1.39 Zwolle-Hattem-3.10-6.15 v. Zwolle naar Utrecht- Zaterdag kloostergang (van de Dom) en naar De Haar- Zondag 8 sept- maandag 10.1 Leiden- 12.52 naar Den Haag 1.12.- van Den Haag 4.15. te Harmelen 5.10.- dingsdag-woensdag vrij- donderdag 12 Ginneken 13 Oosterwijk, enz’.

Doorgelopen voeten, kou en andere ongemakken
Op 10 december 1858 wil de architect van Rolduc naar Sittard. In beide plaatsen restaureerde hij kerken. Aangezien de treinverbindingen met het noorden toen via Duitsland liepen moest hij hiervoor naar Geilenkirchen, ‘alwaar ik een rijtuig moest vinden om mij te Sittard te brengen, maar alweer een teleurstelling, het rijtuig was er niet, ik vertrouwde echter dat ik hetzelve weldra zoude ontmoeten en kuijerde zachtkens met mijn reiszak en zware reismantel op mijn rug den weg op. Onder aangename en droevige denkbeelden raakte ik ongemerkt op een groote afstand van het dorp en zag nog geen rijtuig – ik moest dus verder en verder en heb zóó met een zwaar pak meer dan 4 uuren te voet afgemaakt. Toen ik te Sittard kwam was ik zeer moede en mijne voeten dóórgelopen’. Op 7 november 1860 loopt het ook niet volgens schema. Te Roosendaal heeft hij uren op de trein uit Antwerpen gewacht. Deze was te zwaar beladen, de wielen slipten waardoor hij te laat in Rotterdam arriveerde. Vandaar moesten de reizigers verder met een goederentrein naar Amsterdam. Twee dagen later is hij in Breda, waar hij ‘koud en stijf van het spoor kwam’. ‘Wat verlang ik toch weer bij u te zijn’, schrijft de dan anderhalf jaar getrouwde bouwmeester.

 
Ù Ú

Voor de kokende koeketel
Vrijdagavond onder het octaaf van Driekoningen 1859, dus ergens begin januari reist Cuypers van Breda, waar hij de Barbarakerk bouwt naar ’s-Hertogenbosch. Maar de reis per diligence zal anders lopen dan hij denkt. ‘Onderweg ontmoette ik onze chaise (sjees) met onze getrouwe Jean’ die mij met een boodschap tegemoet kwam rijden. Hij moet in Gilze een plan voor de vergroting der kerk door een Antwerpse collega beoordelen. Vanuit zijn gotische beginselen vond hij het een ellendig plan dat met zijn classicistische vormen geen recht deed aan de vijftiende-eeuwse kerk. Hij merkt op dat die al rond 1830 door een ‘heidensche architect of stukkadoor geprofaneerd’ was. Hij zal zijn best doen om rechtvaardige wraak te nemen. Omdat de pastoor geen logies aanbood gaat hij logeren in dorpslogement Krom. ‘Ja mijn lieve Nenny, terwijl gij met uwe vriendin Anna zit te praten zult ge zeker niet denken hoe romantiesch ik hier zit onder een enorme schouw, met de voeten tegen een vrolijk brandend vuur, en onder de walm van eene kokende koeketel’. Daarna gaat hij verder naar het seminarie van Haaren, het klein-seminarie van Sint-Michielsgestel en Schijndel om bestellingen voor kerkmeubels op te nemen. Het grote altaar dat hij voor Schijndel maakte bestaat nog steeds, maar zijn plan voor Gilze is nooit uitgevoerd.

Romantiek en rust
Het reizen was enerverend, maar bracht ook ervaringen, soms van schoonheid, soms van rust. Op 6 september 1860 is hij in Scheveningen, met rector Everts van de kostschool Rolduc. ‘De zee was heerlijk – het was juist vloed en een menigte visscherschuitjes zeilde de zee in – groot en diep was den indruk die dit heerlijke schouwspel op Everts maakte. – O hoe schoon! Hoe schoon riep hij uit’. Twee maanden later, op 6 november 1860 is hij voor de kerkbouw van St. Barbara weer in Breda: ‘ofschoon ik hier een excellente lamp heb en een gezellig open vuurtje van hout en turf, zoo kan ik toch niet zeggen dat ik mij hier op mijn aise gevoel – och neen – zoo alleen en toch niet alleen nietwaar?’. Op 16 augustus 1861 is er een groot congres in Keulen. Maak je niet ongerust dat ik het te druk heb schrijft hij aan Nenny. Ik heb ‘waarlijk een leven als een rentenier. Nu bijvoorbeeld zit ik hier te schrijven – gezeten op ’t Belvedère van ’t Hotel Holland – de heerlijke vader Rijn stuwt zijn breede stromen naar het geliefde Nederland. Stoomboten met rijke vlaggen wel beladen (…) en andere schuitjens schuiven voorbij, terwijl in de verte het Ziebengebirge door eene heerlijke zon zich vertoont. Wat een leven!’ En het wordt nog beter als hij op Sint Jansdag 1869 van Zutphen naar Wientjesvoort bij Vorden moet. Hij heeft voor de freule van het landhuis een kerk in het kerkdorp Kranenburg gebouwd. Hij wordt opgehaald door haar koetsier: ‘de mooije paarden en de gegalonneerde knecht bezorgden mij in Zutphen tallooze saluts’.

Over de Alpen
In maart 1863 gaat de reis naar Italië. Op 15 maart schrijft hij aan Nenny over de reis. ‘Donderdag om 8 uur vertrokken wij per sneltrein van Parijs over Dijon - Mâcon naar Turijn – met eene afschuwelijke snelheid gleden wij over de ijzeren baan. Om 5 uur waren wij reeds te Mâcon op 120 uren (gaans) van Parijs. Wij hadden gelukkig ruimte in de diligence (1ste klasse). Wij waren met 4 – de eene was een Florentijn. Naarmate de dag aanbrak werd het land schooner, de bergen rezen als ’t ware met de zon op. Wat een heerlijk land – dit zuidelijk Frankrijk. Door Savoye met zijn schilderachtige bergketens en waterspiegels. Wel zijn de gebouwen in deze streken ellendig maar het geeft toch aan het landschap een schilderachtig uitzicht. De dorpen hebben meestal kleine arme romaansche kerkjes met kampanillen – afzonderlijke klokkentorentjes. De daken zijn plat met zware leijen of ronde pannen gedekt’. ‘De menschen zijn klein en niet schoon maar wel smerig. Naarmate wij de Alpen naderden werd de natuur grootscher en grootscher. De bergen toonden hunne witte kruinen welke van tijd tot tijd door de warme zonnestraaltjes werden verlicht’. ‘Te St. Mich moesten wij de spoortrein afwisselen met diligences’. ‘Voor het eten was er weinig tijd en daar het vrijdag was weinig gelegenheid. Melk, brood, een ei of omelet en bonen was ons geheel diner. – Vleesch was er in overvloed’. Het begint te sneeuwen. Ze zien alleen nog bergen, dorpjes met kerkjes, dennenbomen en woedende wateren die op schilderachtige wijze overbrugd werden. ‘Op eenige honderden voeten hoogte moesten de rijtuigen door sleden vervangen worden’. 12 muilezels en twee paarden werden gespannen voor een slee met vijf personen. Om 11 uur is het hoogste punt bereikt. Vervolgens moeten ze tot 6 uur in Susa op de bagage wachten. ‘Susa is heerlijk gelegen aan de voet van de Alpen. Het is een klein stadje – en toont nog kleiner door de hooge bergen die er om liggen. De zonsopgang heeft mij het heerlijkst gezicht geleverd dat men zich kan voorstellen. Zware wolken gaven aan de lage bergen om de stad eene geheel sombere tint terwijl het krachtigste zonnelicht de hoogste bergen die alle met sneeuw bedekt in eene warme zilver gloed deden opstijgen – ze schenen geheel transparant te zijn, ’t was als of wij boven de wolken de Hemel zagen.O ik wenschte zoo vurig u dit te laten zien – dit te zamen te zien – te genieten, te bewonderen’.

 
Ù Ú

Zwarte kousen en vilten pantoffels
Op 5 augustus 1869 heeft Cuypers een groot diner te Breda, vanwege de viering van de eerste mis in zijn pas voltooide maar intussen gesloopte St. Barbarakerk. Hij kent Breda goed, omdat hij er jaren geleden zijn dienstplicht heeft vervuld. Van Breda moet hij naar Veghel naar zijn eerste grote kerk, de nog steeds bestaande St. Lambertus. ‘Gister woensdag spoorde ik te 11 uur naar Boxtel – dineerde daar en ging om half vijf op te spoor na Best omdat met het regen weder de weg naar Schijndel niet praktikabel was en over Best de weg naar Veghel veel korter. Te Best zou ik ook gemakkelijk een rijtuig vinden om mij naar Veghel te brengen maar helaas – dit kwam slecht uit. Beide rijtuigen te Best waren uit en kwamen ook niet voor laat in den avond thuis. Gelukkig kon een rijtuig rijtuig dat naar Veghel moest mijn reiszak bergen maar voor mij was er geen plaats. Ik ondernam dan de reis te voet in de hoop om te St. Oedenrode een karretje te kunnen krijgen. Dank aan de deugdelijkheid van mijn regenmantel ging ik bijna 2 uur door een aanhoudende dichte regen zonder doornat te worden. Gelukkig dat ik geen paraplu had want dan had ik mij meer vermoeid en mijn mooye strooyen hoed kon er toch wel tegen hij is ten minste solied. Te St. Oedenrode dezelfde geschiedenis. Er waren wel 2 rijtuigen maar beiden uit. Toen ik de deur van de Gouden Leeuw (dit etablissement bestaat nog steeds) uitstapte kreeg een Rotterdamse reiziger medelijden met mij en vroeg of ik ook wat geholpen kon worden door een half uurtje zijn karretje te gebruiken, dat hij nog wel wat kon wachten. Ik nam dit zeer dankbaar aan en de koetsier bracht mij voor 2 gulden bijna een uur ver. Daardoor was ik weer wat uitgerust en kon het volgende kleine uurtje onder een mindere .. regen met meer gemak trotseeren. Te Veghel gekomen tegen half negen haastte ik mij om drooge pantoffels te krijgen want mijne schoenen hadden den aanhoudenden regen geen weerstand kunnen bieden althans waren mijne sokken op de voeten klets nat – een paar warme zwarte kousen van den kapellaan en een paar vilt pantoffels herstelde dit kwaad al spoedig en na van 10 tot den morgen 8 uur gerust te hebben zal het ongerief ook al weer gauw vergeten zijn. Ik ben nu echter nog gedwongen om vandaag in de kousen en op de pantoffels van de Eerw. Heeren te blijven want mijn paar is nog niet droog. Zoo is het leven afwisselend. Voor meer dan 20 jaren (ik was toen 18 jaar oud) marcheerde ik als fuselier van het 7de Regiment infanterie met het geweer op schouder door de straten van Breda – verleden dingsdag ging ik door dezelfde straten – maar nu niet meer aan de deur van een estaminet gewezen omdat ik maar een gemeen soldaat was – en gisteren wandelde ik weer als een arme 3 uuren door een kouden regen over de velden en door de bosschen vaan Noord-Brabant en dat alles geeft mij zeer veel reden om Gode dankbaar te zijn’.

Puntgevels en torens
Cuypers heeft grote bewondering voor het stadsbeeld van de middeleeuwen, dat zo romantisch is beschreven door Victor Hugo in Notre Dame de Paris. Daarin bejubelde de Franse schrijver de ‘betovering van daken, schoorstenen, straten, bruggen, pleinen, spitsen, klokkentorens’, van puntgevels en steile daken. Als Cuypers op 7 februari 1864 in Lübeck arriveert schrijft hij: ‘wat een verschil of men in eene stad is waar ge onder den druk der platte lijst bezwijkt of in eene met hooge gevels scherphoekige daken en pijlrechte ten hemel voerende kerktorens versierde stad is’. Als hij op excursie is langs natuurhistorische musea reist hij op 1 september 1877 van Dresden naar Praag. ‘Wij spoorden tot Poetscha, staken de Elbe met een schuit over en kwamen weldra in de heerlijkste natuur. De frissche berglucht – verhoogd door een heerlijke morgenzon verkwikte ons geheel en al na die 10 dagen zwoegen in de broeyende atmospheer der groote stad’. Via de Bastei naar Koenigstein, vandaar spoorden ze naar Praag. ‘Dat Praag schilderachtig gelegen is en nog veel van zijne oude luister behouden heeft weet iedereen en het is dan ook een heerlijk gezicht na Berlijn en Dresden weer eens eene stad te zien die geheel van de rechte lijn en vooral van de horizontale lijn afwijkt. De torens zijn en zullen ten eeuwigen dage het grootste sieraad in ’t panorama eener stad blijven. Het zijn dan ook de menigvuldige torenspitsen die Praag een zoo betoverend aanzien geven’.

In Parijs
Cuypers en zijn echtgenote spreken en schrijven hun talen. Als Cuypers in Frankrijk verblijft schrijft hij vaak in het Frans, in Duitsland in het Duits. In 1877 is hij met een commissie voor de bouw van het nieuwe Natuurhistorisch Museum te Leiden op reis. De overtocht van Londen naar Parijs is goed verlopen. Op 20 oktober 1877 zitten ze in Grand Hotel du Louvre. ‘Na een goed diner gingen wij om 8 uur a la Komedie Française, die stampend vol was – er werd gegeven een nieuw stuk – Volte-face en un chevalier + ja joie fait peur. Uitmuntend uitgevoerd’. Hij bestelt bij Bond een vleugelpiano voor Nenny voor 1800 francs. ‘Alles is hier zoo goedkoop en zoo smaakvol dat men zich arm zou koopen. Ge zult wel verbaasd zijn dat ik tapis gekocht heb, en dat nog wel Orientaalsch, maar de prijs was zoo laag en de gelegenheid unique dat ik er niet aan heb kunnen weerstaan om ons dat genot te bezorgen’. Een tiental jaren later, in 1888, de datum is onleesbaar zit hij weer in zijn vaste pleisterplaats, het Hotel du Louvre, omdat er geen kamer vrij was wordt hij in een kamertje in de hanenbalken gestopt. Twee jaar later, op 10 februari 1890 is hij er weer. Hij schrijft Nenny dat hij het wandelen in de omgeving van Valkenburg aantrekkelijker vindt dan de kunstmatige fraaie natuur met rijtuigen en wandelaars van het Bois de Boulogne. ‘Natuur en eenzaamheid hebben voor mij de grootste charme’.

 
Ù Ú

Kalfsvlees, pruimen en blaren
11 Juni 1892 is geen gelukkige dag voor de bouwmeester die de restauratie van de abdijkerk te Rolduc bij Herzogenrath komt bekijken. Hij vertrekt vanuit zijn vakantiehuisje te Valkenburg. ‘Maandag was waarlijk een pelgrims dag voor mij. Ofschoon de conducteur van de Gr. C. mij verzekerde dat ik te Aken direkt aansluiting had naar Herzogenrath mislukte dit toch daar de trein juist 2 minuten te vroeg vertrokken was. De Chef v. 't station troostte mij door te zeggen dat het zedert 1 mei elken dag zoo ging. Hij raadde mij aan om maar naar Herzogenrath te wandelen dan zou ik minstens een halve uur vroeger daar zijn dan wanneer ik op de volgende trein wachtte die eerst na 2 uur vertrok. Die raad voltrok ik onmiddellijk – Maar ik had reeds ’s-morgens bijna 3 uur gelopen te Valkenburg en na een uur loopen kreeg ik erge pijn onder een voet – Dit nam toe zoo dat ik op ’t laatst dit maar aannam als eene beproeving die ik wel noodig had na het vele succes van de laatste dagen. Toen ik te Rolduc aankwam om ongeveer 2 uur verzocht ik direkt om een bak koud water om met mijne voeten in te zitten. Dit kalmeerde de hevige en brandende pijn en na een bordje soep en een biefstuk met aardappelen en een stukje kalfsvleesch met gedroogde pruimen met een goed glas wijn genoten te hebben, klom ik op de steigers en regelde het werk’. Via Herzogenrath en Venlo reist hij vervolgens per trein verder naar Amsterdam, waar de ontstane blaar op drie plaatsen moet worden doorgeprikt.

Duiven voor Pierre en Nenny
Sinds 1892 zijn Pierre Cuypers en zijn zoon Joseph, die in 1885 bij het bureau Cuypers in dienst trad, samen belast met de restauratie en herbouw van kasteel de Haar. Cuypers verblijft vaak op het kasteel om op de werken toe te zien en reist daartoe vaak naar station Vleuten. Op 11 september 1894 krijgt opzichter Ingenhaag op het kasteel de volgende brief: ‘Ik ben voornemens aanstaande dingsdag per trein te Vleuten aan te komen. Zoo het weer goed is moet U iemand zenden om een koffertje te dragen. Regent het dan moet U Van Oostrum met het wagentje zenden omdat Mevrouw Cuypers mij begeleidt. Wij zullen op ’t kasteel de kamers van den Baron bewonen. U gelieve dus te zorgen dat die kamers zoo veel mogelijk bewoonbaar zijn’. Verder gaat hij ervan uit dat de vrouw van Ingenhaag wel zo goed wil zijn om voor hen te zorgen op de gebruikelijke manier. ‘Wel kunt gij bij voorbaat eenige jonge duiven laten slachten daar het beter is dat ze een dag van te voren reeds afgemaakt worden om ze den volgenden dag te bereiden’.

Van Roermond naar Tiel
Op 20 november 1896 staat er weer een lange reis voor de deur naar zijn restauraties en kerken te ’s-Hertogenbosch, Demen bij Ravenstein en Druten. ‘Al was ’t gister morgen koud en nat toen ik van Roermond vertrok en ik voor de St. Jan van den Bosch stond scheen een heerlijk herfst zonnetje over de grootendeels overstroomde velden en bosschen en weilanden van Noord-Brabant; het landschap kreeg met die heerlijke verlichting iets eigenaardigs grootsch dat ik anders hier zoo niet zag. Waarschijnlijk was ’t het effekt van de waazige lucht die onder de heldere zonnestralen het landschap verbreede en de kleur verhoogde en veredelde. Wat heerlijke indrukken kan ons de natuur toch verschaffen en welk hoog en onwaardeerbaar genot kunnen wij daarbij deelachtig worden. – als de menschen zich er buiten houden – Hoe jammer dat er zoo weinig zijn die dit verheeven genot kunnen apprecieeren! Ik geloof dat er niets zozeer schadelijk is voor het ontvangen van die teedere natuurindrukken als het alledaagsche moede en .. leven. Mijn voormiddag was door natuur en kunst ingenomen bij den Heer Hezenmans nam ik een kleine lunch en om half 2 ongeveer kwam ik te Ravenstein aan. Een oude (in eenige stad) afgedankte brik, met een niet jeugdige schimmel bespannen bracht mij om 2 uur voor de pastorie te Demen. Het was alweer een nieuwe pastoor. 2 Zijn er reeds ten hemel gevaren sinds ik de kerk daar bouwde – om half 4 toog ik de Maas over en nam toen weer plaats in de oude brik. Het was al avond eer ik te Altforst aankwam. Lampen en kaarsen moesten worden ontstoken om in de kerk het noodige te zien. Om zeven uren togen wij verder maar nu met een vlug paard in eene Glatsche chaise a la mode. Met een heerlijke sterrenhemel kwamen wij (de kerkmeester zelf koetzierde mij) te Druten aan. Conferentie tot 5 min. Voor 12. Om half zeven op en om kwart voor 7 in de kerk om na met thee ontbeten te hebben om 8 uur aan de Maas te zijn om op den Nijmeegsche boot naar Thiel te komen’.

Zo eindigt een der laatste verhalende reisbrieven die Cuypers schrijft aan zijn geliefde Nenny, die ruim een jaar later op 7 januari 1898 zal sterven. De stroom geschreven documenten droogt hiermee niet op. Ontwerpen en uitvoeren van bouwwerken en kerkmeubelen was alleen mogelijk door een gestage stroom aan brieven aan opzichters, opdrachtgevers, aan zijn zoon Joseph, aan vrienden als Victor de Stuers. Deze brieven hebben echter een zakelijk karakter: gemoedsuitstortingen zijn er niet of amper meer in te vinden.

Ù Ú

De reizen van Cuypers


Dit overzicht van de buitenlandse reizen van Cuypers is gebaseerd op de levensbeschrijving door Victor de Stuers uit 1897, de zakboekjes en agenda’s in het Cuypersarchief, de schetsboekjes, de briefwisseling met Nenny, Joseph en Victor de Stuers en tenslotte het gedenkboekje voor Nenny, In memoriam, uitgegeven in 1915. Het is niet altijd duidelijk in welk jaar de reis is gemaakt, omdat schets- en notitieboekjes soms over de jaarwisseling heen doorlopen.

 
1845-1849. Verblijft voor zijn studie te Antwerpen.
1850. Reis naar de Nederrijn, Keulen, Bonn, Xanten, Kalkar.
1852. Plannen voor een reis naar ‘de Oriënt’ (niet gerealiseerd).
1855. Parijs, bezoek aan de wereldtentoonstelling. Bezoek aan Keulen.
1857. Düsseldorf, Keulen en Remagen (met Alberdingk Thijm).
1859. Montjoie (Monschau). In maart naar Freiburg im Breisgau voor het huwelijk van Paul Alberdingk Thijm. In juni-augustus kunstreis met Nenny naar Nonnenwerth, Rolandseck, Remagen, het Ahrthal, Altenahr, Koblenz, Stolzenfels, Mainz, Mannheim, Ludwigshafen, Frankfurt, Offenburg, Spiers, Salzburg, Straatsburg, Chalons sur Marne, Nancy, Reims, Noyon, Parijs, Chartres, Amiens, Brussel.
1860. Birgelen, Wildenrath, Eilendorf, Neuss.
1861. Keulen. Antwerpen, bezoek aan het kunstcongres met J. A. Alberdingk Thijm.
1862. Londen, bezoek aan de expositie in het South Kensington Museum, erelid van de Ecclesiological Society met F. von Schmidt en H. von Ferstel, contact met G. E. Street.
1863. In maart via Parijs naar Rome, Milaan, Genua, Livorno, Florence, Turijn, en Napels. 1864. In februari naar Hamburg, Hannover, Lübeck, Halberstadt, Braunschweig, Münster, Magdeburg en Wittenberg.
1865. In augustus naar Parijs en St. Denis.
1866. Binche.
1867. Parijs, bezoek aan de Wereldtentoonstelling. Compiègne, bezoek Pierrefonds met Viollet-le-Duc.
1868. Parijs.
1870. Moelembaix, Brussel, Leuven en Wangenies. Aken, bezoek aan F. Bock.
1871. Aken, F. Bock.
1872. In oktober Würzburg, Worms en Wimpfen. In november Villers-Pervin en Casmes.
1873. Mainz.
1874. Mainz, Iglau, Nijvel, Andernach, Oberwesel, Hilperstadt, Wendesheim, Iburg, Oberalm, Oppenheim, Hermsheim, Hochheim, Worms, Neustadt, Lohr, Trier. Lübeck, Breslau, Würzburg. Brussel, Florence en Pisa. In november Mainz.
1875. In juli Klein Heubach. Kerkwijding in Mainz. Met zijn zoon Joseph naar Straatsburg.
1876. Kopenhagen, Freiburg, Mainz. Roskilde, Lund, Stralsund, Strengnas, Wimpfen en Keulen. Christiania, Uppsala, met Nenny.
1877. Berlijn, Postdam. Leipzig, Dresden, Praag en Wenen met de commissie voor het te bouwen museum van natuurlijke historie te Leiden. In oktober Londen, Christ Church (Oxford). Parijs, Halberstadt, Leuven. Parijs.
1880. Brussel. Brugge.
1882. Keulen.
1882-1883. Parijs, St. Germain en Laye.
1883. Bad Driburg.
1884. Chèvremont, Wilhelmstein. Pertisau.
1885. Leuven. Keulen. Basel, Montclair, Jura, Bern. Chèvremont, Luik. Muggia (bij Triëst).
1886. Hildesheim.
1887. Parijs, ontmoet Viollet-le-Duc. Berlijn, Potsdam, Halberstadt, Goslar, Hildesheim Moritzburg en Hannover.
1888. Parijs.
1889. Parijs, architectencongres. Naar een Engels herstellingsoord. Bezoekt in Parijs het Trocadero.
1890. Ontmoet in Parijs J. Helbig.
1891. Brussel.
1892. Parijs. Ontmoet in Keulen A. Reichensperger en A. Schnütgen, plannen voor de inrichting van het koor van de Dom.
1893. Gent.
1894. Parijs. Brussel, Aken.
1895. Berlijn, Aken. Keulen en Burtscheid.
1896. Berlijn. Elten.
1897. Ontvangt in juni in Londen de Gold Medal van de Riba, bezoekt L. Alma Tadema met F.A. Hoefer. Dijon. Parijs Notre Dame.
1898. Naar Rome, Avignon en Brünn.
1899. Naar Brussel, Parijs en Antwerpen.
1900. Parijs als jurylid, bezoek architectencongres.
1901. Angers en Reims.
1902. Naar Brugge, St. Etienne en Leuven.
1904. Naar Spanje met F.A. Hoefer, in Madrid naar architectencongres.
1905. Alsfeld en Argentan. Parijs. Maredsous.
1906. Parijs. In Londen architectencongres.
1907. In april-augustus: Gent, Rome, Monte Cassino, Florence, Verona, Taormina, Palermo, Verona en Casal Vecchia. Parijs. Spiers, Worms, Mainz en Maria Laach.
1908. In Wenen architectencongres. Aken en Boedapest.
1909. Basel, Bern, Lausanne, Freiburg en Zürich.
1910. Naar Brussel voor het congres l ‘art public. In september naar Bern, Straatsburg, Berlijn en Trier.
1911. In januari naar Berlijn, Moskou en Sint-Petersburg. In september naar Straatsburg en Bern. In oktober naar Rome voor het architectencongres.
1914. Opname van de oorlogsschade in Leuven, per auto.


× Ù & _ 6