Hoogtepunten in Cuypers' leven
1849 Afstuderen in Antwerpen. In 1849 doet hij mee aan het slotconcours van het vierde jaar, dat uit drie wedstrijden bestaat, waarvoor iedereen acht dagen in een loge opgesloten wordt. Op 6 mei 1849 ontvangt hij de Prix d' Excellence. In 1901 blikt hij terug op zijn academietijd: 'De opleiding was op academische leest geschoeid; men begon met de Grieksche en Romeinsche ordes te teekenen. Zeer veel werk werd er gemaakt van de Grieksche vormen; de afmetingen de Grieksche en Romeinsche tempels werden met angstvallige juistheid op schaal geteekend en veel tijd ging verloren met het minutieus teruggeven van de profielen der voetstukken, kapiteelen en kroonlijsten tot in de geringste bijzonderheden. Onafhankelijk daarvan werd een cursus gegeven in de constructie met een of hoogstens twee colleges elke week. Dan werden behandeld de houtverbindingen met de daarmede in verband staande vakken van ijzerverbindingen en metselwerk in baksteen en in natuursteen; waarbij op zeer uitgebreide schaal de kennis der steensneden, de Stiriotomie, werd behandeld. Voor de geschiedenis van de Bouwkunst en aesthetica was er geen leerstoel; al wat men daarover wenschte te leeren moest men zelf zoeken'.
1852 Ateliers en bouw woonhuis in Roermond. Cuypers is terug in Roermond. Hij wordt stadsarchitect en associeert zich met de zakenman F. Stoltzenberg, die al een handel in linnengoed, kerktextiel en kerksieraden heeft en een atelier voor goudborduurwerk. Hij tekent een nieuw 'woon- en kunstgebouw', waar de ambitie van afstraalt. Het wordt een bakstenen dubbelhuis 'in de bouwstijl van de tijd van Karel de Stoute' aan de Kapellerlaan en Maastrichterweg. Het is een gouden greep, omdat een jaar later de bisschoppelijke hiërarchie wordt hersteld. Dat leidt tot een groot aantal opdrachten. 'De fabriek van kunstbeelden van de Fa. Fr. E. Georges, P. Cuypers en Fr. Stoltzenberg ging zeer goed vooruit: beelden en altaren vervaardigd door speciale ambachtslieden en kunstenaars waren zeer gezocht. Grote orders zetten aan tot uitbreiding en toegepast werden binnen- en buitenlands hout, Franse steen en marmer', zegt het gemeenteverslag. A.N. Didron schrijft in 1858: 'Wij hebben in Frankrijk niets dergelijks en toch schijnt de hr. Cuypers nog pas te beginnen. God geve hem leven en gezondheid en gij zult ziet dat dit etablissement ene wezenlijke stichting wordt'.
1854 Ontmoeting met Alberdingk Thijm in Amsterdam. Thijm vraagt Cuypers op 28 augustus om de tekening van zijn 'schoon kunst- en woongebouw'. Hij wil met hem 'over de echt-nederlandsche en Christelijke Kunst te spreeken welke door u beoefend wordt'. Cuypers gaat naar Amsterdam en ontmoet Thijm op de sluis van de Cingel. Ik zie 'een heer, met blond golvend haar, een portefeuille onder den arm, in veerkrachtigen tred de brug opkomen, en zonder zweem van twijfel stap ik op hem toe en reik hem de hand met de woorden: 'U is zeker Jozef Alberdingk Thijm!' En U mijnheer Cuypers!' klinkt het wederwoord. Zoo was het; en van dat oogenblik tot aan zijn dood ben ik door de innigste vrienden-, straks broederbanden met den man verbonden gebleven, aan wiens zijde ik mij gelukkig heb gevoeld bijna veertig jaren lang te strijden voor dezelfde christelijk-aesthetische beginselen'.
1858 Bij het decoreren van Thijms bibliotheek ontmoet hij diens zus Nenny. Tijdens de vele dienstreizen schrijven ze elkaar steeds weer, over de liefde, het geloof en over zaken. In 1859 trouwen ze.
Nenny doet jarenlang de zakelijke correspondentie. In november 1860:
'Ik wil wedden dat ge in een goed blaadje zijt gekomen bij Mgr. Den Aartsbisschop; ge hebt u maar te vertoonen om de menschen in te palmen'. In februari 1869 over 'ons beider geliefkoosde onderwerp, de
finantien'. Ze wil hem f. 4000 lenen 'tegen de zeer billijke rente van 5 kussen per
mille'.
1862 In Londen wordt hij erelid van de Ecclesiological Society. Het bezoek aan Londen in 1862 is voor zijn visie op stijl en ontwikkeling een openbaring. Als erelid van de Ecclesiological Society ontmoet hij behalve G. Gilbert Scott ook de invloedrijke George Edmund Street bij wie hij mag dineren. Hij is enthousiast, eind juni schrijft hij aan Nenny dat Street de beste architect van Europa is. Tegen Alberdingk Thijm roemt hij de Engelsman als 'een der beste Architecten die ik ken'. Hij exposeert tekeningen en meubels in het South Kensington Museum en behaalt een eremedaille.
1874 Ontmoeting met De Stuers. Hij wordt benoemd tot Rijksadviseur. Hij maakt in al die jaren niet minder dan 723 adviezen en leidt tientallen restauraties. De Stuers zegt in 1897 over Cuypers: 'Ik heb den gedienstigen man jarenlang officieel en officieus duchtig geëxploiteerd; zoo werd er vanwege het departement van Binnenlandse Zaken niets meer gebouwd noch gerestaureerd, zonder dat Cuypers deswege gehoord en geraadpleegd was.' Maar er is ook kritiek. In 1926 zegt Gerard Brom: 'De Stuers reed op Cuypers als een waaghals op een raspaard: er moesten ongelukken gebeuren'.
1875-1876 Opdrachten voor Rijksmuseum en Centraal Station, de grote projecten van de negentiende eeuw. Op 30 augustus 1875, in het jaar dat hij het Rijksmuseum gaat uitwerken, schrijft Cuypers aan De Stuers dat
A.J. van Prehn, eerstaanwezend ingenieur van de Staatsspoorwegen, hem heeft gevraagd om een nieuw station te ontwerpen. Het station ligt op een gevoelige plek, het eeuwenoude open havenfront van Amsterdam. In november 1875 benadrukt Van Prehn dat dat het gebouw moet worden ontworpen door
'een erkende specialiteit in het vak van architect'. Het station zal meer dan enig gebouw
'in de gansche stad ten toon gesteld staan en mag vooral in de hoofdstad des Rijks geen misstand
geven', het is zelfs wenselijk dat het 'gunstig spreekt'.
Op 12 juli 1876 wordt Cuypers formeel benoemd tot 'Architect der Rijks
Museumgebouwen'. Het koninklijk besluit wordt pas na veel ministeriele druk door een kritische Willem III getekend. De koning, die een hekel heeft aan Cuypers, is wellicht teleurgesteld omdat zijn hofarchitect Eberson niet heeft gewonnen. De Stuers is overtuigd van de juiste stijl van het museum:
'Wij bouwen geen copien, wij reanimeeren niet een afgeloopen tijdperk, gij bouwt nieuw en origineel, en maakt een gepast gebruik van oude lessen, oude ondervinding en oude motieven'.
1890
Opdracht voor de restauratie van kasteel De Haar. Op 24 september 1890 schrijft Victor de Stuers aan Cuypers dat de Baron het kasteel wil herbouwen als een soort
Pierrefonds. Het moet een volmaakt ensemble worden. Het zal een perfect beeld geven van een middeleeuws kasteel als Pierrefonds en tevens een bewoonbaar huis zijn.
'Het zal een aangenaam werk zijn, omdat voor eerst het kasteel interessant is en vervolgens, omdat wij hier niet beknibbeld zullen worden op de gelden' zegt De Stuers. Cuypers is aan het einde van het project van mening dat een school van kunstenaars onder zijn leiding heeft aangetoond dat men al werkend op de middeleeuwse manier resultaten kan bereiken die dit glorieuze tijdperk niet alleen evenaren maar zelfs overtreffen.
1897 Huldiging in Rijksmuseum en in Roermond. Cuypers wordt dan het Roermondse station afgehaald. 'Op weg naar het stadhuis werd de hamstraat, waarin het geboortehuis van dr. Cuypers is gelegen, aangedaan en de jubilaris door de wijkmeesters en bloemenstrooiende meisjes ontvangen'. 'In den avond had een prachtige fakkeloptocht plaats en werden serenades gebracht'. In De Kroniek schrijft Berlage: 'Cuypers' kunst is niet eene door geweldige kracht al het voorafgegane omverstootende; daarvoor is ze voor onzen tijd niet oorspronkelijk genoeg, maar ze heeft de liefdevolle overtuiging, die neo-renaissance mist, en daarom zal zij zijn van blijvende waarde'.
| Ù | Ú |
1853. Roermond, eigen woonhuis en atelier
'in de bouwstijl van de tijd van Karel de Stoute' aan de Kapellerlaan en
Maastrichterweg. Het huis is gereed in 1853. De kosten bedragen f 10.000, waarvan de firmanten Cuypers en Stoltzenberg elk de helft bijdragen.
1856. Posterholt, huis Aerwinkel. Bakstenen kasteelachtig landhuis voor de rechter Pierre Mathieu Geraedts (1802-1888). Driedelige plattegrond die klassiek-Palladiaans aandoet met kamers en zalen rondom een overkoepeld trappenhuis met bovenlicht, dat dient als schilderijenzaal. In het souterrain ijzeren balken. Neorenaissance betimmering in de bibliotheek. In de gevel wapen Geraedts en wapen en zinspreuk van de architect: 'Credo, Spero, Amo'.
1858. Eindhoven Catharinakerk. De driebeukige kruiskerk met dubbeltorenfront is in 1867 gereed. De kerk is niet georiënteerd. Een zeer gedetailleerd iconografisch plan wordt gemaakt met als richtlijn Thijms boek De Heilige Linie. Dit plan geldt voor voor torens, portalen en interieur. Het is het eerste grote voorbeeld van baksteenpolychromie uitgevoerd vanaf 1864. Er is ook een onuitgevoerd en ingenieus plan waarbij een oostelijke apsis wordt gecombineerd met een oostelijk dubbeltorenfront. Cuypers ontwerpt ook de houten noodkerk en later de kosterswoning.
1860-1863, 1889. Amsterdam, O.L. Vrouwekerk of Posthoornkerk. Deze driebeukige kerk combineert het concept van de Amsterdamse galerijkerk met de Roermondse Munsterkerk. Daardoor krijgt het gebouw een zeer rijzig karakter en kan het veel gelovigen bevatten. Cuypers haalt met deze kerk het lijfblad van de Engelse Ecclesiologists. Beresford Hope vergelijkt het gebouw met de Londense St. Peter Vauxhall van J.L. Pearson. Hij bewondert de verticaliteit van de ruimte, 'so boldly solid', en prijst de delicate kleuren van de baksteen: rood, crème en zwart met groene toetsen. Op de 'instrumenta ecclesiastica', de kerkelijk inrichtingsstukken heeft hij kritiek, Cuypers is in zijn ogen beter als architect dan als ontwerper van interieurstukken. Alberdingk Thijm beschrijft de gewenste emoties, het grootse en sublieme: 'Een geheimzinnig halflicht omhult u, bij het binnentreden, en doet u onwillekeurig oog en harte richten naar gindsche schitterende bevenstering, met hare heilige voorstellingen. De ronde bogen beelden u, hier in het schip, den beperkten toestand af, dien de tijdelijke orde ons aanbiedt; ginds, daarentegen, rijzen de ranke spitsbogen, die naar het oneindige schijnen heen te streven. Op die wijs leent zich de overgangsstijl van den aanvang der XIIIe eeuw uitmuntend tot het uitdrukken van den verscheiden zin, die het schip en het choor eener kerk behoort te bezielen'.
1870-1880. Amsterdam, H. Hart of Vondelkerk.
1870-80, 1905 hersteld na brand. Deze kerk is het middelpunt van
Cuypers' eigen Vondelstraat. Binnen de golvende buitenschil maakt hij een centrale ruimte met een koepeltoren, die belangrijker is dan schip en koor. In het ontwerp van 1872 rijst de centrale achthoek met toren uit boven schip, koor en kapellen. In een later project uit 1875 wordt de achthoek minder rijzig, maar als compensatie maakt hij een hogere toren. Het wordt een gebouw waarvan Jan-Willem Brouwers in de rede bij de eerste steenlegging oreerde:
'Als een afgezant van God, tusschen pleinen en paden en wegen staat in het midden der prachtige straat (deze kerk), om allen wier geest denkt, als hunnen oogen zien, te wijzen naar
hooger'. Cuypers investeert niet alleen creativiteit en denkvermogen, hij betaalt van de totale kosten van ongeveer f. 220.000 ook nog f. 60.000 uit eigen middelen. Het is niet voor niets naast de Munsterkerk zijn meest geliefde kerk.
1876-1885. Amsterdam, Rijksmuseum. De bouw van het museum begint de in januari 1877. Tussentijds verandert Cuypers de tekeningen keer op keer. De stijl verandert hij ingrijpend, de bruggen over de singelgracht vragen een hogere onderbouw en op de zolders moet hij de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid inpassen. Aan de Stadhouderskade verrijst een symmetrische voorgevel met markante torens, aan de zijde van het Museumplein komen aanbouwen voor de bibliotheek, het Fragmentengebouw (1885-1897), de directeurswoning en de Oefenschool van de Rijksnormaalschool (1890). Het gebouw krijgt een rijke en doordachte symbolische decoratie, als was het een middeleeuwse kathedraal, een symboliek die slechts voor ingewijden begrijpelijk is. Het wordt op 13 juli 1885, na een bouwtijd van 8 jaar geopend. ontleent zijn ruimtelijke en stedenbouwkundige betekenis vooral aan de rijzige bouwmassa, de hoge daken en de torens. Het ligt als een poort naar de nieuwe stad buiten de voormalige vestinggordel aan de singelgracht. Vanuit de oude stad zijn de torens en daken zichtbaar vanuit dwarsstraten. De voorgevel doet zich aan de Stadhouderskade voor als een symmetrische paleisgevel, opgebouwd volgens de gelijkzijdige driehoek, het middendeel een triomfboog met torens. De nagenoeg spiegelbeeldige achtergevel krijgt een schilderachtig karakter door de vormgeving van de bibliotheek en de directeurswoning. Cuypers heeft na het sneuvelen van zijn veelhoekige plattegrond van de nood een deugd gemaakt en gebruikt het Fragmentengebouw en de Oefenschool als zetstukken om die gevel maat, schaal en diepte te geven.
1881 Amsterdam, Vondelstraat 77-79. Woonhuis Cuypers en huurhuis. In juni 1881 komt het dubbelhuis gereed, waarna Cuypers het linkerhuis betrekt. Met zijn helderrode baksteen en speklagen van gele steen, de flauw hellende zadeldaken en de levendig verspringende voorgevel is het speelser dan Nieuw Leyerhoven. Wanneer we de scheidingsmuur wegdenken is de hoofdopzet van het dubbelhuis al even strak als de negen vierkanten van het oudere landhuis Aerwinkel. Maar de symmetrie wordt verdoezeld door de schilderachtige afwisseling van verspringende daken, het hoogteverschil in de voorgevels en de erker in de middenrisaliet. Die erker gaat met zijn schuine ondersteuningszuil terug de Entretiens van Viollet-le-Duc. Andere details, bijvoorbeeld de lage topgevels van de flauw hellende daken komen uit Ungewitters Entwürfe zu Stadt- und Landhäusern. Sinds de recente restauraties zijn in de huizen weer veel oorspronkelijke details zichtbaar. Trappenhuizen met houten trappen en geschilderd bladornament, terrazzovloeren en parket, houten balklagen met ornamentaal beschilderde troggewelfjes. Betimmeringen en schuifdeuren, glas-in-lood tochtpuien, schoorsteenmantels en kasten met paneeldeuren. De overheersende tinten zijn bruin, groen en rood, maar er zijn ook lichtere houtimitaties. Verguldsel op schoorsteenmantels en kasten combineert hij met bladornament. Boven de schuifdeuren bevinden zich moraliserende opschriften, die in het huurhuis ontbreken.
1881-1884. Leeuwarden, St. Bonifacius. Als hij in 1881 de grootscheepse Bonifaciuskerk uitwerkt voor zijn oude vriend deken A.P. Hendriks te Leeuwarden tekent hij een centraliserende absis, haast een afzonderlijke kapel waarin hij zijn ruimtelijke en scenografische talent ten volle toont. Het koor wordt lager dan de kerk zodat aan de oostzijde een spannende combinatie van opklimmende massa's komt. Topgevels omcirkelen een achthoekig puntdak, waarachter de hoge topgevel met roosraam van het schip opdoemt. Van binnen is er een langgerekt schip met dwarsschip dat uitmondt in een brede triomfboog met roosraam. Achter deze boog doemen in een geheimzinnig schemerlicht natuurstenen zuilen en gewelfribben op. Door de lichtval ontstaat een bijzonder effect. Pas na een rustige beschouwing wordt duidelijk hoe ingenieus de architect het koor heeft opgebouwd. Het hoogaltaar staat onder een zeshoekig ribgewelf dat rust op kalkstenen kolommen uit een stuk. Twee zware kolommen aan de westzijde en vier lichtere aan de oostzijde. Het erboven gespannen gewelf is als een ciborium, een oud motief in het werk van Cuypers. Het duidt op de eerbiedige zorg voor het heilige en is daarom ook gebruikt bij het altaar voor Nijmegen en bij het verworpen ontwerp voor het Haagse monument 1813. Hier maakt hij het tot een geheel met de architectuur. Eromheen beweegt zich een omgang waarin driehoekige gewelven de overgang maken naar de zevenhoekige koorpartij. De stergewelven van de ontwerptekening zijn vervangen door eenvoudige, maar ingenieus in elkaar vertande bakstenen gewelfvelden. Cuypers maakt de koorruimte tot een geheel van in elkaar overlopende vlakken en velden. Bruinrode baksteen wisselt af met witte kalksteen, ingenieus gemetselde muurvlakken met bladwerk en geel geblokte bakstenen ribben. Het is een spel van ruimte, massa, licht en beweging op enkele vierkante meters.
1889-1891. Maria Magdalenakerk Amsterdam. Zijn meest indrukwekkende Amsterdamse kerksilhouet realiseert Cuypers in de nieuwe
Spaarndammerbuurt, aan de stadsrand buiten de Willemspoort. Het is een onmogelijke locatie, een wigvormig perceel ingesloten tussen spoor en weg. Een tweede straat komt na een stevig conflict tussen het gemeentebestuur en de
Commissie voor de bouw van een Rooms-Katholieke kerk buiten de Willemspoort vervallen. De Maria Magdalenakerk (1889-1891) mag niet veel kosten. Het is het oude steeds terugkerende dilemma:
'met de geringste middelen een ruim en waardig gebouw te stichten, dat ook in de toekomst aan de behoeften van een zich uitbreidend kerspel blijft voldoen en een schoon middelpunt vormt van een nieuw
kwartier'. Cuypers lost het probleem op zijn bekende, ingenieuze wijze op: hij analyseert het perceel, ontleent daaraan een logische plattegrond, past die op het terrein en vult de resterende ruimte met kapellen en nevenruimten. Voor de Spaarndammerbuurt schuift hij net zolang tot hij op het driehoekige lapje grond een kruiskerk kwijt kan. De dwarsschepen krijgen tweezijdige sluitingen die de rooilijn volgen. Naast het koor tekent hij dubbele kapellen naar het model van de Trierse
Liebfrauenkirche, in breedte uitwaaierend over het terrein. De punt van het perceel vult hij met een gerende schiptravee, voorafgegaan door een zeshoekige voorhal met portaal. Het gedeelte dat nu nog resteert wordt gevuld met nevenruimten, traptorens en pastorie. Zo ontstaat een plattegrond die met zijn golvende belijningen en insnoeringen de rooilijn volgt. De wisselwerking tussen de beperkingen van het perceel en de creativiteit van de architect leidt tot een ingenieuze oplossing en een bijzondere ruimtelijke werking.
Haarzuilens, kasteel De Haar 1892-1915. Het veertiende- en vijftiende-eeuwse kasteel is in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw langzaam in verval geraakt. Opmetingen en foto's tonen nog belangrijke resten. Op 24 september 1890 schrijft Victor de Stuers aan Cuypers dat Baron Van Zuylen van Nijevelt het kasteel wil herbouwen als een soort Pierrefonds. 'Het zal een aangenaam werk zijn, omdat voor eerst het kasteel interessant is en vervolgens, omdat wij hier niet beknibbeld zullen worden op de gelden'. Dit werk biedt architect en referendaris de gelegenheid hun visie op de middeleeuwen in steen uit te drukken. Op basis van de bestaande toestand en oude prenten realiseren vader en zoon Cuypers een bouwwerk dat het midden houdt tussen de neogotische 'fantaisie' van De Stuers en een reconstructie van De Haar, zoals het had kunnen zijn. Het wordt een buitengewoon rijk geheel, tot inde details uitgewerkt in gotische stijl. Er zijn wel zeer moderne voorzieningen. Sommige stijlkamers worden door andere bedrijven tegen de zin van Cuyper uitgewerkt. Er komt ook een uitgebreid poort- en dienstgebouw, het Châtelet (1893-1913). Joseph Cuypers heeft de leiding had en werkt de opzet van zijn vader in details uit.
1899. Grafmonument voor de familie Cuypers in Roermond. Achter het koor van de Bisschoppelijke Grafkapel uit 1887 projecteert Cuypers op een prominente plaats, ad sanctos zijn eigen familiegraf. Hier liggen zijn vader, moeder en eerste vrouw, Rosalia van de Vin, die sterft in 1855. Zij krijgt een zerk in middeleeuwse sfeer, haar silhouet wordt omlijst door een gestileerde gotische kerk, ook weer een verwijzing naar de hemelse stad Jeruzalem. Op de hoeken tekent hij naar oud model de evangelistensymbolen. Na de dood van zijn tweede vrouw Nenny Alberdingk Thijm in 1898 ontwerpt hij een gedenkzuil met de namen van zijn overleden familieleden. De zuil heeft een opvallende bekroning met vier naar de windstreken gerichte beelden onder baldakijnen, een model dat vaker voor monumenten wordt gebruikt. De beelden en ornamenten krijgen een symbolische lading. De heiligen Cecilia en Catharina verwijzen naar de naamheilige van de muzikale Nenny, Petrus is de patroon van Pierre en de sleutelhouder van de hemelse stad, Johannes tenslotte is niet alleen de naamheilige van vader Cuypers maar ook de ziener van het Hemelse Jeruzalem. Die kijkt niet voor niets naar de centrale bisschoppelijke grafkapel.
Ca. 1858-1859.
Swalmerstraat. In het huis voor de apotheker Cloquet aan de Swalmerstraat gebruikt Cuypers neogotische ornamenten. De bakstenen gevel heeft
redelijke gotische details in profielen en afschuiningen. De ingang en de lateien van de ramen zijn neogotisch evenals de zeer bijzondere Vlaamse topgeveltjes op bakstenen consoles. Ook ramen en sierhekken zijn tot in details verzorgd uitgewerkt. De motieven van dit huis komen in de volgende jaren in steeds nieuwe combinaties terug in andere gebouwen, waaronder de pastorie van Ouderkerk.
1863 Veghel hoogaltaar. Het is een gaaf bewaard gebleven variant op Franse voorbeelden uit het eerste deel van de Dictionnaire van Viollet-le-Duc. Een tombe met retabel of opbouw, bekroond door de sinds het concilie van Trente noodzakelijke expositietroon. Eromheen de koorafsluiting met beelden en engelen. Alles sterk gelijkend op het in 1855 ook weer door Viollet-le-Duc ontworpen altaar voor de kathedraal van Clermont-Ferrand. In de opengewerkte tombe ligt een levensgroot beeld van de kerkpatroon Lambertus. In het relatief lage retabel reliëfs met Eucharistische symbolen als de Bruiloft van Kana en het Laatste Avondmaal. Naast de tabernakeldeur met een tronende Christus staan Maria en Johannes de Doper. De bekroning is een Calvariegroep, waarvan het kruis met Maria en Johannes oprijst uit de tinnen van Jeruzalem en geflankeerd wordt door beelden van de Ecclesia en Synagoge. Cuypers schrijft hier de attributen tot in de details voor. Links en rechts in de sluitmuren een stoet van vrouwelijke en mannelijke heiligen, tussen marmeren zuiltjes met engelen met lijdenswerktuigen. Deze heiligenstoet vult Alberdingk Thijm in. Aan de noordzijde heilige vrouwen, maagden en vorstinnen, waaronder Barbara als verpersoonlijking van de kunst, Lidwina van Schiedam als Nederlandse heilige, Elisabeth van Hongarije als verbeelding van de liefde en Maria Magdalena als personificatie van het vleselijke. Aan de mannenkant apostelen, martelaren en geleerden, waaronder Petrus en Paulus, Athanasius, Augustinus, Carolus Borromeus en Pepijn van Landen, de laatste als grondvester van de Nederlandse overheid.
| Ù | Ú |
De prijsvraag voor het 'Muzeüm Koning Willem I'
Alberdingk Thijm, secretaris van de jury, correspondeert ook tijdens de beraadslagingen met zijn vriend Cuypers over de gang van zaken. Hij maakt zich zorgen omdat Cuypers zijn ontwerp te zeer ‘met gothische intentiën’ heeft ontworpen. Hij vreest dat hij vanwege de ‘achterlijke begrippen’ in Amsterdam nog moeite zal hebben om te voorkomen dat ‘een der ingezonden grieksche tempels of romeinsche badstoven’ zal winnen. In zijn ogen had Cuypers er beter aan gedaan om 7/8 van zijn tekeningen in renaissance vormen uit te voeren, wat goed verenigbaar is met de gotische constructies en met zijn toepassing van ijzer. Nu domineren de gotische tekeningen die niet passen bij het programma van eisen. Thijm mag als secretaris niet voor zijn vriend spreken, hij moet objectief zijn. Wel heeft hij een deel van de gotische tekeningen stilletjes omgeruild voor de renaissance varianten, maar dat helpt niet. Hij raadt zijn vriend aan maar snel bij minster J.R. Thorbecke voor zijn ontwerp te gaan pleiten zoals de Duitse parlementariër en neogotiekaanhanger Reichensperger overigens al schriftelijk heeft gedaan.
Kamerverkiezingen
Pierre Cuypers jr vond op de site van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis ING (www.inghist.nl) de gegevens over de verkiezingen van 1897. In kieskring Amsterdam VI: PJH Cuypers versus J.T. Cremer. De eerste ronde op 15 juni 1897 leverde PJH 25,15 % op. De tweede ronde 31,88 %. Het is de enige maal dat hij aan Tweede Kamerverkiezingen heeft meegedaan. Cremer werd meteen tot minister gepromoveerd en dus werd hij geen kamerlid in 1897, ongetwijfeld tot bitterheid van Cuypers de verliezer.
Academieonderwijs
In 1901 kijkt Cuypers terug naar zijn academiejaren in de feestrede bij de lustrumtentoonstelling van Architectura & Amicitia:
‘De opleiding was op academische leest geschoeid; men begon met de Grieksche en Romeinsche ordes te teekenen. Zeer veel werk werd er gemaakt van de Grieksche vormen; de afmetingen de Grieksche en Romeinsche tempels werden met angstvallige juistheid op schaal geteekend en veel tijd ging verloren met het minutieus teruggeven van de profielen der voetstukken, kapiteelen en kroonlijsten tot in de geringste bijzonderheden.
Onafhankelijk daarvan werd een cursus gegeven in de constructie met een of hoogstens twee colleges elke week. Dan werden behandeld de houtverbindingen met de daarmede in verband staande vakken van ijzerverbindingen en metselwerk in baksteen en in natuursteen; waarbij op zeer uitgebreide schaal de kennis der steensneden, de Stéréotomie, werd behandeld.
Voor de geschiedenis van de Bouwkunst en aesthetica was er geen leerstoel; al wat men daarover wenschte te leeren moest men zelf zoeken. Een bijzondere afdeeling was gewijd aan den huisbouw, waarvoor dan ook een bijzondere leraar was aangesteld. De hoogste klasse was die der monumenten. Daar werden ontwerpen gemaakt en Grieksche en Romeinsche tempels of andere klassieke gebouwen als studie gegeven om de herstelling ervan te ontwerpen.
De Professor, in dien tijd de heer Berchmans (sic), der hoogste klasse kwam bijna dagelijks gedurende de oefeningen vertrouwelijk met de studeerenden over Bouwkunst in ‘t algemeen en over de opgegeven vraagstukken praten. Als regel werd den leerlingen voorgehouden de verschillende stijlen, welke onder de benaming van Gothisch, Klassisch en Renaissance verdeeld waren, uit een aesthetisch oogpunt als volgt toe te passen: “Wanneer gij te bouwen hebt, eene kerk, dan moet gij daarvoor gebruik maken van den Gothische stijl, omdat het in deze stijl is dat onze voorouders de prachtige kathedralen, parochie-kerken en schilderachtige dorpskerken hebben gebouwd. Deze stijl bracht den mensch tot God door zijne verhevenheid in de keuze der vormen, de slankheid zijner steunpunten, de sierlijkheid en rijkdom der vensters. De opstijgende lijnen, door zuivere ogivale bogen vereenigd, voeren den geest hemelwaarts, enz. enz.
Wanneer men echter te bouwen heeft een Paleis van Justitie, Gerechtshof of dergelijke, dan wordt daarvoor de klassieke stijl toegepast in het strenge Grieksche of Romeinsche stelsel, d.w. zeggen de toepassing der uitwendige vormen zonder in acht te nemen, welke bouwstoffen moeten dienen voor de oprichting van het monument en in welke streek, hetzij in ’t noorden of in het zuiden, hetzij in een land waar overvloedige bouwsteen voorhanden is of niet, of waar er voortdurende droogte heerscht of drie kwart van het jaar de gebouwen aan sneeuw en regen bloot staan. De Grieken en Romeinen hebben den grondslag gelegd tot onze rechtspleging en volksbeschaving en daarom zal de klassieke stijl, n.l. Grieksche of Romeinsche vormen het best het karakter uitdrukken dat uw monument zal dienen te hebben. Groote badinrichtingen, Akademiën en Lyceën zoowel als aquadukten hebben de Romeinen veel tot stand gebracht en kunnen ons tot voorbeeld dienen. Wordt u echter gevraagd een gebouw op te richten dat moet dienen voor uitspanning en volksvermaak in den meest uitgebreiden zin, dan hebt gij te kiezen in de vormen der renaissance. Evenzoo is dit het geval voor het ontwerpen van paleizen, belangrijke buitenverblijven, villa’s en rijke woonhuizen.
Professor Stoop had de klasse voor huisbouw, constructie en stéréotomie – de leer der steenconstructie - en gaf nu en dan eene verhandeling over de constructieleer volgens den toen reeds overleden Professor Serrure.
Tweemaal in de week gaf de heer Durlet eene verhandeling over het ornament, terwijl verder aan de Akademie nog verbonden was, de leer van den scheepsbouw. Enkele leerlingen, waartoe ik dan ook behoorde, volgden in den zomercursus de klassen van teekenen naar het pleistermodel of de beeldhouwkunst, oefeningen in het modeleeren, hetzij naar gipsornament of het menschelijk lichaam'.