De bovenwoning aan de Van Dulckenstraat 49 maakt deel uit van een groter geheel, bestaande uit een benedenwoning, een bovenwoning en een op zichzelf staand woonhuis. De opdracht voor dit onderzoek had betrekking op de bovenwoning, maar vanwege het integrale geheel met de benedenwoning wordt het complex als totaalbeeld onderzocht. Het pand ligt in de wijk Bottendaal, een van de wijken die tijdens de negentiende eeuwse stadsuitleg werd aangelegd. Langs de hoofdwegen liggen de grote herenhuizen, de belangrijkste wegen binnen de wijk zijn bebouwd met middenstandswoningen, al dan niet bestaande uit een boven- en benedenwoning. Door het bochtige verloop van de Burghardt van den Berghstraat en de asymmetrie van het wegennet, ligt het te onderzoeken pand op een zichtlijn, gezien vanuit de Steijn Buysstraat.
![]() |
|
|
Gevelwand Burghardt van den Berghstraat 17 en 19. De hoektoren gaat verscholen achter de bomen. |
![]() |
Het pand vormt, zeker in samenhang met de omringende architectuur, een hoogwaardig cultuurhistorisch ensemble. Zo zijn de volgende res novae (nieuwe zaken) naar voren gekomen:
De stadsuitleg -- Door de verstikkende werking van de vesting heeft Nijmegen niet kunnen profiteren van het moderniseringsproces dat zich vanaf 1850 in grote delen van Nederland begon te manifesteren. Nijmegen was op de eerste plaats een garnizoensstad, waar de economie voornamelijk een verzorgend karakter had. Door de vesting en het ontbreken van een aansluiting op het nationale spoorwegennet, kon de industrie niet tot ontwikkeling komen. Na de opheffing van de vesting kwam de industrie enigszins van de grond, maar Nijmegen zou nooit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Maastricht of Enschede een industriële stad worden. Het beleid van de gemeente was er ook niet op gericht om de industrie een dominante positie binnen de stad te geven. De gemeente streefde er bewust naar om een aantrekkelijke woonstad voor welgestelden te worden, waarbij veel aandacht moest worden besteed aan de aanleg van groenvoorzieningen.
Doordat Nijmegen zowel de vestingwerken als het ruime gebied van het vroegere schootsveld hadden aangekocht, waren zij voor het gehele gebied verantwoordelijk voor de aanleg van wegen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Utrecht of Groningen, waar de gemeenten alleen de vestingwerken hadden gekocht, kwam de gemeente Nijmegen niet in conflict met particulieren die hun grond niet wilden opgeven ten behoeve van de aanleg van een straat. De gemeente kon zelf de fijnmazigheid van het wegennet bepalen. Dit heeft bijgedragen aan de eenheid in de wijk.
![]() | Affiche waarop de verkoop van een aantal percelen aan de Burghardt van den Berghstraat wordt aangekondigd. In rood het perceel van het onderzochte pand |
In de stadsuitleg van Nijmegen, evenals veel andere Nederlandse steden keert vooral de Hollandse renaissance als inspiratiebron terug. Het overgrote deel van de bebouwing die in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw, en in mindere mate ook nog het eerste decennium van de twintigste eeuw werden gebouwd, karakteriseert zich door het gebruik van enkele typische neorenaissance kenmerken als speklagen, diamantkoppenen brede kroonlijsten met decoratieve elementen.
Het hoekpand aan de Burghardt van den Berghstraat en de Van Dulckenstraat is een fraai voorbeeld van een woonhuis in neorenaissancestijl, dat zich karakteriseert door een veelal drukke, schilderachtige en asymmetrische gevelopbouw waarbij het bakstenen huis wordt verfraaid door het gebruik van natuur- of kunststeen.
De architect van het huis heeft bij zijn ontwerp goed gebruik gemaakt van de omgeving. Door het bochtige verloop van de Burghardt van den Berghstraat is de woning vanaf de belangrijke verbindingsweg, de Steijn Buysstraat, goed zichtbaar. De ontwerper heeft op het eind van deze, door het stedenbouwkundige plan ontstane zichtlijn, een huis gebouwd dat qua uitstraling eerder thuishoort langs een van de hoofdsingels dan in een wijk. Door deze zichtlijn maakt het pand toch een deel uit van het straatbeeld van de Steijn Buysstraat. Helaas gaat de woning vandaag de dag schuil achter een kersenboom.
Het onderzoek was in handen van drs Don Rackham met medewerking van ir Karl Pesch en onder begeleiding van drs Margreeth Bruijnesteijn - Bangert en dr Bernadette van Hellenberg Hubar. De collegiale toets werd verzorgd door drs Roland Bruynesteyn MBA. De digitale productie is van de hand van Marij Coenen.