Woensdag 30 september 2009 verscheen de beleidsbrief van minister Plasterk over de modernisering van de monumentenzorg (MoMo).

Zoals in het persbericht werd gesteld, is het kernpunt van de brief: 

dat cultuurhistorische waarden een rol gaan spelen in de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij oude stadsstructuren en beeldbepalende panden. Te vaak gebeurt het nog dat deze waarden in ruimtelijke plannen buiten beschouwing blijven. 

Voor Res nova was het een aangename verrassing dat minister Plasterk het planologisch erfgoedregime (PER©) dat ze ontwikkeld heeft voor de gemeente Maastricht in 2005, als model hiervoor beschouwt.

Hierna is een excerpt te vinden met de passages, waarin het planologisch erfgoedregime wordt genoemd. De integrale beleidsbrief met bijlagen is hier te downloaden. De brochure van Res nova over het PER© kunt u onder deze link vinden.



Samen met RO en Monumentenzorg van de gemeente Eindhoven heeft Res nova het PER© voor het stadsdeel De Bergen te Eindhoven gemaakt. Vooraf is een cultuurhistorisch basisonderzoek met een inventarisatie uitgevoerd. In De Bergen bevinden zich veel panden waarvoor de klassieke monumentenbescherming te zwaar is, maar die via het PER© voor het straatbeeld behouden kunnen blijven (foto: Don Rackham).

Wet ruimtelijke ordening (pp. 22-23)

Ruimtelijke belangen worden lokaal niveau geregeld via het bestemmingsplan, op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Enkele worden specifiek genoemd, zoals archeologie, milieu en water. De regels hierover zijn vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro geeft aan dat er gegevens verzameld moeten worden en dat de gemeente inzichtelijk moet maken hoe met de vastgestelde waarden wordt omgegaan in de planvorming en bij het nemen van het besluit. Cultuurhistorie wordt niet genoemd.

Veelbelovende ontwikkelingen zijn er natuurlijk ook. De laatste jaren is een beweging naar een samenhangende benadering in gang gezet. Veel gemeenten kiezen bijvoorbeeld voor een integraal erfgoedbeleid. Een goed voorbeeld hiervan is de gemeente Maastricht. Met het Maastrichts Planologisch Erfgoedregime (MPE) is gekozen voor een synergie tussen het ruimtelijk en cultuurhistorisch kwaliteitsbeheer. Object en omgeving, kwaliteit en zorg voor het verleden: ze worden hier zoveel mogelijk binnen één kader - het bestemmingsplan - vormgegeven.

 


Maastrichts Planologisch Erfgoedregime 

De systematiek van het MPE begint bij een gedegen onderzoek naar de cultuurhistorie. Daarbij wordt gekeken naar bijvoorbeeld het bodemarchief, de historische bouwkunst, de beeldkwaliteit, stedenbouwkundige structuren, waardenkaarten, landschapselementen en het verhaal van de plek. Deze elementen worden vastgelegd op de bestemmingsplankaart. Veel hangt af van de waardering van het erfgoed; die bepaalt uiteindelijk de intensiteit van de bescherming. Zo zal bij architectonisch waardevolle bebouwing vergunningsvrij bouwen worden uitgesloten. In het geval van waardevolle stedenbouwkundige structuren zal bij sloop en nieuwbouw getoetst worden op de specifieke stedenbouwkundige karakteristiek. De bescherming, of beter gezegd 'behoud door ontwikkeling', wordt in het MPE geregeld door een beheer- en sturingskaart die verankerd is in bestemmingsplanvoorschriften. In het bestemmingsplan wordt een aparte set voorschriften opgenomen die specifiek gekoppeld zijn aan de dubbelbestemming 'Maastrichts erfgoed'.

 

 

Ook voor de archeologie is het beeld positiever. Met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in het vooruitzicht hebben alle provincies en veel gemeentes op dat gebied al stappen gezet (zie verder hieronder). Via de Wamz (onderdeel van de Monumentenwet 1988) is in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaald dat bij een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met 'de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten'.

In de Wro maakt cultuurhistorie deel uit het van het onderdeel grondexploitatie. De onderzoekskosten die gemaakt moeten worden om archeologische en andere cultuurhistorische waarden te bepalen, kunnen in dat regime meegenomen worden in het budget voor de exploitatieopzet van het gebied. In veel gevallen maakt het archeologisch onderzoek ook al deel uit van het kostenplaatje van een nieuw plangebied. Het meenemen van cultuurhistorische aspecten in de grondexploitatie staat dus nog in de kinderschoenen, maar de basis is er wel.

Bestemmingsplan (p.27)

Belangrijk voor de borging van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening wordt ook het gemeentelijke bestemmingsplan. Bij het opstellen daarvan moeten - in een zo vroeg mogelijk stadium - de aanwezige waarden worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Anders dan het sectorale beschermingsinstrumentarium, biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om niet alleen het object en zijn omgeving, maar ook andere waardevolle structuren, gebieden, cultuurlandschappen en archeologische waarden op te nemen. Ook historische buitenplaatsen en groen kunnen erin beschreven worden.

De resultaten van de inventarisatie worden gewogen, om een antwoord te geven op de vraag welke ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied toelaatbaar worden geacht. Dit wordt vervolgens uitgewerkt binnen het instrument dat de burgers bindt: het bestemmingsplan.



Het terrein Fens in Eindhoven ligt aan de rand van het karakteristieke stadsdeel De Bergen, waar Res nova een cultuurhistorisch basisonderzoek met een inventarisatie heeft uitgevoerd. Door het CBO te verankeren via het PER© kan vanuit de richtlijnen van dit onderzoek het volgende hoofdstuk geschreven worden in het verhaal van de plek van (terrein Fens in) De Bergen (foto: Don Rackham)


Daarmee komt het zwaartepunt van borging van de cultuurhistorische waarden te liggen bij de gemeentelijke overheid. Dat is terecht: de gemeente is voor de betrokken burger de meest toegankelijke overheid. Het is de bestuurslaag waar het bestemmingsplan wordt vastgesteld en (bouw- en herontwikkelings)plannen worden ingediend. Het bevoegd gezag beoordeelt wat de concrete effecten zijn van een ontwikkeling op de geïnventariseerde cultuurhistorische waarden, en zal gemotiveerd aangeven op welke wijze in het bestemmingsplan wordt omgesprongen met deze waarden.

Het voordeel is verder dat burgers, ontwikkelaars én gemeenten weten waar ze aan toe zijn. Er treden immers geen tussentijdse wijzigingen van het toetsingskader op. Ook de actualiteit en dynamiek zijn gewaarborgd: het bestemmingsplan heeft in de Wro een geldigheidsduur van tien jaar. Na maximaal tien jaar kan door middel van nader onderzoek c.q. nieuwe inzichten nieuwe kennis worden vergaard over de aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze krijgt dan een plaats in het volgende bestemmingsplan.

Met speciale belangstelling heb ik gekeken naar het Maastrichtse model waar ik al eerder naar verwees. Het is een inspirerend alternatief voor de traditionele, objectgerichte benadering via de lijn van de monumentenverordening, welke ik samen met mijn collega van VROM met belangstelling zal volgen. Ik heb ook gekeken naar de mogelijkheid van landelijke invoering. Ik ben mij er echter van bewust dat gemeenten die hun erfgoedbeleid met de traditionele aanpak goed op orde hebben, niet de behoefte voelen tot een drastische systeemwijziging. Bij dergelijke gemeenten zal de gebiedsgerichte aanpak meer aanvullend werken op hun sectorale beschermingsregime, in plaats van deze volledig te vervangen.[1*]


Behalve een primaire bestemming komt ook op het Catharinakerkhof in De Bergen de dubbelbestemming met de waarde 'cultureel erfgoed' te liggen, waardoor bij beheer en behoud de cultuurhistorische waarden van aanleg, bijzonder zerken en beplanting een plaats hebben in het besluitvormingsproces.


2.4 RELATIE MET ANDERE WETGEVINGSTRAJECTEN

Wabo

In 2007 is besloten de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in te voeren. Inwerkingtreding is beoogd op 1 januari 2010.

In deze wet wordt een aantal aspecten gebundeld dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Het doel is om daarmee te komen tot één omgevingsvergunning, waarin de bouwvergunning, monumentenvergunning, milieuvergunning en planologische toestemmingen om af te wijken van bestemmingsplannen (ontheffingen en projectbesluit) worden opgenomen.

Dit bespaart erg veel tijd, kosten en procedures. Tegelijk blijven de inhoudelijke toetsingskaders en beschermingsniveaus met de Wabo ongewijzigd bestaan. Dat geldt ook voor de Monumentenvergunning. Ik heb er vertrouwen in dat de belangen van de monumentenzorg op deze wijze goed geborgd blijven.

Welstand en Woningwet

Er is een evaluatie uitgevoerd van het welstandstoezicht en de huidige regeling voor bouwvergunningvrije bouwwerken (opgenomen in het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken, het Bblb, vallend onder de Woningwet). Op dit moment wordt gewerkt aan een vernieuwde regeling. Die moet praktische knelpunten wegnemen en zorgen voor een verdere verruiming van de regeling, met name door meer toe te staan in wat wel de achtererfgebieden wordt genoemd - die doorgaans minder in het zicht liggen. De regeling zal gelijktijdig met de Wabo in werking kunnen treden, als bijlage bij het Besluit omgevingsrecht.

Een methode als het Maastrichts Planologisch Erfgoedregime focust de aandacht op de bewegingsvrijheid die gemeenten hebben in het kader van bouwvergunningvrije bouwwerken. Op dit moment heerst in beschermde gezichten een bouwvergunningplicht (art. 43, lid 2 Woningwet). Dit instrument is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit van een beschermd gezicht op peil te houden.

Bij beschermde gezichten gaat het echter primair om de structuur en het karakter van het geheel; kleine veranderingen op objectniveau, zeker in de achtererfgebieden, doen daar vaak geen afbreuk aan. Toch moet momenteel, conform de Woningwet, een vergunningprocedure doorlopen worden. Dit betekent een onnodige last voor de overheid en de burger.

Ik streef er naar om samen met mijn collega van VROM de wet- en regelgeving daarom zodanig aanpassen dat wijzigingen in beschermde gezichten niet vergunningvrij zijn, tenzij via welstand en op basis van inhoudelijke criteria is geregeld dat voor bepaalde bouwwerkzaamheden in bepaalde gebieden geen bouwvergunning nodig is. Op die manier spitst de zorg zich toe op de plekken waar die ook echt nodig is. Daarnaast zal deze aanpak gemeenten stimuleren om actief beleid te ontwerpen op het terrein van de ruimtelijke beeldkwaliteit.[2*]

 

Noten

1] Voor Eindhoven heeft Bernadette van Hellenberg Hubar als lid van de gemeentelijke monumentencommissie in 2006 een oplossing bedacht, waarbij allebei de soorten een plaats hebben gekregen in de gemeentelijke monumentenverordening. Deze is zo opgezet dat er in principe een artikel aan toegevoegd zou kunnen worden, dat op het moment dat een 'klassiek' gemeentelijk monument binnen een bestemmingsplan gebied valt waar het PER© van toepassing is, de eerdere status komt te vervallen. Daarmee komt de klassieke vergunningplicht te vervallen. Wel blijft de reguliere bouwvergunning nodig en in enkele gevallen een aanvullende vergunning op basis van het bestemmingsplan. 

2] Res nova heeft veel ervaring met het opstellen van - ruimtelijke - beeldkwaliteitconcepten vanuit het cultuurhistorisch basisonderzoek. Ieder CBO behelst standaard al richtlijnen en een overzicht van kansen en bedreiging voor het beheer van en de verdere ontwikkeling vanuit het erfgoed.

R

E

B

U

S